Om alle inhoud te kunnen zien hebt u de actuele versie van Adobe Flash Player nodig.

Start Over ons Verklaring Statuten Reglement Werk / werkgelegenheid Een intellectuele en maatschappelijke ramp Kantelend de Waal in ? Actieplan werkgelegenheid humaniora Proeve van een academisch arbeidsmodel Cijfers academische werkgelegenheid 1990 - 2014 Publicaties Arnhemse Courant 1811 - 1888 Satire in ballingschap. De Gedenkschriften van Martinus Scriblerus, 1714 - 1741 - 1791 / '92 Johan graaf van Welderen, 1711-1724 Om de staat van Staten Publicatielijst Contact Samenwerking Werkgroep HistorieRijkNijmegen 

Arnhemse Courant 1811 - 1888

De Arnhemsche Courant, 1811 - 1888 impressies van een Nederlandse krant in de slotdecennia van de vroegmoderne tijdLezing, gehouden voor het Arnhems Historisch Genootschap 'Prodesse Conamur' door P. Theeuwen, 25 oktober 2013.

p. 1Geachte aanwezigen,Op deze avond mag ik met U spreken over de Arnhemsche Courant, die velen van U onder deze titel vertrouwd is geweest, totdat zij op 5 november 2001 opging in De Gelderlander. Ofschoon de voorgeschiedenis van de Arnhemsche Courant en een groot deel van haar geschiedenis, met name tot in 1850, reeds zeer deskundig en uitvoerig zijn geanalyseerd in een drietal voortreffelijke studies van mijn leermeesters dr. Beekelaar en prof. Hemels, is het alleszins de moeite waard de eerste vier à vijf decennia uit het bestaan van deze krant nog eens te recapituleren, vanwege de vooraanstaande rol die zij speelde in de politieke ontwikkelingen onder het Koninkrijk der Nederlanden ten tijde van de koningen Willem I (1815 - 1840) en Willem II (1840 - 1849). Onder koning Willem III (1849 - 1890) werd die rol minder belangrijk en opvallend, maar beslist niet minder interessant, zoals U in het tweede deel van deze lezing zult merken. Ik begin dan ook met een opmerking uit de Arnhemsche Courant, afkomstig uit die minder opvallende en daarom ook minder bestudeerde periode na 1850.Op donderdag 1 juli 1869, bij gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis waarop ik later in deze lezing nog zal terugkomen, publiceerde de Arnhemsche Courant een karakterschets van zichzelf. Zij portretteerde zich daarin als een nog relatief jonge krant, die in ruim een halve eeuw tijds van een klein meisje was opgegroeid tot een jongedame. "De Arnhemsche Courant", zo luidde het redactionele hoofdartikel, "is altoos een bij de hand kind geweest en dikwijls een enfant terrible...". We moeten vaststellen dat dit met name voor de periode 1830 - 1850 een zeer juiste typering was. Op de eerste plaats:De Arnhemsche Courant, die vanaf 1 januari 1814 deze titel voerde, was inderdaad een relatief jonge krant. Haar geschiedenis is via een voorloper hooguit terug te voeren tot het jaar 1804, haar eigenlijke stichting tot 3 september 1811. Dat was niet lang, vergeleken bij verscheidene kranten elders in Nederland die, mèt hun voorgangers, anno 1869 al een geschiedenis achter de rug hadden van ruim een eeuw of in enkele gevallen zelfs twee eeuwen: de Middelburgsche Courant, verschenen vanaf 1758; de Leeuwarder Courant, 1752; de Utrechtsche Courant, 1743; de 's-Gravenhaagsche Courant, 1708; de Amsterdamsche Courant, 1670; en de Opregte Haarlemsche Courant, 1656.Het is niet zo dat er te Arnhem nooit eerder pogingen tot oprichting van een krant waren ondernomen. Arnhem was er zelfs zeer vroeg bij wat het uitgeven van een krant betreft, vanaf 1621 tot en met 1636, het jaar waaruit de laatste tot op heden bekende exemplaren dateren. Men bedenke hierbij dat de twee oudste tot nu toe bekende exemplaren van gedrukte kranten in Europa, uitgegeven te Straatsburg en te Keulen, dateren uit 1605 respectievelijk 1609, en de oudste tot nog toe bekende Nederlandse krant uit 1618: de te Amsterdam door Caspar van Hilten uitgegeven Courante uyt Italien, Duytslandt &c. Het is overigens niet bekend hoelang de eerste zogeheten Arnhemsche Courante, uitgegeven door Jan Janssen en later door diens schoonzoon Jacob van Biesen, gevestigd in de Turfstraat, heeft bestaan: bij gebrek aan bewaard gebleven exemplaren raken we na 1636 het zicht op het Arnhemse krantenbedrijf ruim een eeuw kwijt, tot in 1769 kortstondig De Geldersche-Burger-Courant verscheen, die waarschijnlijk ook al weer in datzelfde jaar 1769 ter ziele ging.p. 2Vervolgens verscheen er te Arnhem tot 1804 geen krant meer, ondanks het feit dat de stad volop deelde in de opkomst van een kritische, politiek bewuste publieke opinie in Nederland aan het einde van de achttiende eeuw. De patriottenbeweging, die een democratisch regeringsstelsel en inperking van de macht van stadhouder Willem V en de regentenelite eiste, nam te Arnhem zowel onder het armere volk als onder de meer welvarende, geletterde burgerij een hoge vlucht. Zoals U kunt lezen in mijn bijdrage in het meest recente nummer van Uw Arnhems Historisch Tijdschrift, behoorden Uw stadgenoten tot Nederlands meest productieve schrijvers in de patriotse pers. De patriotse weekbladen De Politieke Kruyer en De Post van den Neder-Rhijn bevatten tezamen minstens 63 betogen, politieke gedichten en satires, geschreven door Arnhemmers. Ruim de helft van die bijdragen dateerde van na de oprichting van een patriottensociëteit op 1 februari 1785. De oprichters van deze sociëteit, waar gediscussieerd werd over politiek en waar men ook staatkundige boekwerken, kranten en tijdschriften kon lezen, waren twee jonge patriotten, Steven van Bronkhorst en Willem van Riemsdijk. Steven van Bronkhorst, van 14 maart 1797 tot 14 maart 1798 werkzaam als stadssecretaris van Arnhem en daarna actief in het gewestelijk bestuur onder de Bataafse Republiek, koning Lodewijk Napoleon en keizer Napoleon Bonaparte, begon in 1804 de Departementale Geldersche Courant, waarvan de latere opvolger zich onder zijn leiding zou ontwikkelen tot onze Arnhemsche Courant.Die opvolger, het Journal Départementale de l'Issel Supérieur ofwel Dagblad van het Departement van de Boven-IJssel, werd gesticht op 3 september 1811, en deze datum mag beschouwd worden als de oprichtingsdatum van de A.C. Opvallend in al deze titels is de term 'Departementaal', en dat is geen toeval: het waren staatsbladen, geredigeerd door de Bataafse, later Napoleontische ambtenaar Steven van Bronkhorst en gefinancierd en uitgegeven door de opeenvolgende departementale besturen. Het onder keizer Napoleon begonnen Journal ofwel Dagblad werd opgericht op initiatief van de prefect van het departement van de Boven-IJssel, R.L. van Andringa de Kempenaer, en was vanwege het feit dat de Nederlandse gewesten op dat moment tot het Franse keizerrijk behoorden, tweetalig. Zodra echter eind november 1813 Nederland van de Fransen werd bevrijd, schrapte Steven van Bronkhorst de Franse taal, verwijderde hij de Franse adelaar uit de kop van zijn blad, en zette het vanaf 4 december 1813 (nr. 143) als geheel Nederlandstalige krant voort. Van Bronkhorst, al vanaf eind 1812 de enige directeur èn redacteur, doopte per 1 januari 1814 zijn blad om tot A.C. en verkreeg van de nieuwe, door de soevereine vorst benoemde commissaris-generaal van het departement, W.H.A.C. van Heeckeren van Kell, toestemming de krant voor eigen rekening voort te zetten. Op 1 februari 1816 verkocht Van Bronkhorst zijn blad aan drukker en uitgever Carel Albert Thieme, die de krant tot grote bloei zou brengen. Wat onder het Koninkrijk der Nederlanden bleef, was de controle door de gewestelijke overheid, ondanks het in de grondwet van 1815 vastgelegde principe van persvrijheid. Deze persvrijheid betekende namelijk dat er geen preventieve censuur, geen censuur vooraf meer bestond, maar liet de mogelijkheid open voor een repressieve censuur, een gerechtelijke vervolging achteraf voor wat er in een krant of periodiek geschreven was.p. 3 Met dit laatste punt zijn wij aangeland bij het tweede element in de karakterisering die de Arnhemsche Courant in 1869 van zichzelf schetste, die van "enfant terrible": een toespeling op de toenemende kritiek van de Arnhemsche Courant op het bewind van koning Willem I in de periode 1815 - 1840, en vervolgens op dat van zijn zoon en troonopvolger, koning Willem II, in de periode 1840 - 1849. De Arnhemsche Courant transformeerde sinds 1814 slechts langzaam en geleidelijk vanuit haar wortels als provinciaal gouvernementeel nieuwsorgaan naar haar latere zelfverklaarde positie van enfant terrible. Dat kon niet anders, want het blad was aanvankelijk in financieel opzicht nog in sterke mate afhankelijk van inkomsten uit de officiële mededelingen en advertenties die geplaatst werden namens de gouverneur en de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Gelderland, en van de abonnementen van de Gelderse gemeentebesturen. Zo begon de A.C. van zaterdag 13 september 1817 met een tweetal berichten van gouverneur J.C.E. van Lynden over het verplaatsen van de ingangsdatum van het jachtseizoen voor dat jaar van 15 naar 29 september, in verband met de geringe vordering van de oogst, die door het aanhoudende natte weer aanzienlijk was vertraagd.Tot ver in de jaren 1830 vormden de stad Arnhem en de provincie Gelderland de voornaamste afzetmarkt van de A.C. De jaargangen vanaf 1814 tot ca. 1840 leveren dan ook de nodige waardevolle informatie op over de stad Arnhem en haar directe omgeving. Toch bleef zowel toen als in de tweede helft van de 19e eeuw het plaatselijke en gewestelijke nieuws doorgaans beperkt tot nauwelijks een kwart van de inhoud, die zich hoofdzakelijk richtte op die berichtgeving, die haar publiek het meest op prijs stelde: buitenlands nieuws, berichtgeving uit de regeringskringen in Den Haag, nieuws uit en over de koloniën, in het bijzonder Nederlands-Indië, politieke commentaren en beschouwingen, financiële berichtgeving en praktische zaken zoals de koersen op de Amsterdamse beurs, de waterstanden in de grote rivieren en de aankomst- en vertrektijden van diligences, stoomtreinen en stoomschepen. De redactie bedreef een kosmopolitische stijl van journalistiek, door Thieme bewust nagestreefd en bestemd voor een welvarend en relatief hoog opgeleid publiek van ondernemers en renteniers, intellectuelen, beoefenaars van de vrije beroepen, en hogere ambtenaren, militairen en politici. De A.C. kostte vanaf 1 juli 1869 per kwartaal f 3,40 binnen Arnhem en f 4,20 bij verzending naar abonnees elders in het koninkrijk, en behoorde daarmee tot de duurdere kranten. Ter vergelijking: het Dagblad voor Friesland en De Gelderlander kostten rond diezelfde tijd slechts f 2,- per kwartaal, verzendkosten incluis. Door haar prijs en inhoud kenmerkte de A.C. zich als een krant voor de hogere standen, met een betrekkelijk exclusieve maar ook beperkte kring van abonnees: in 1851 waren dat er niet meer dan 500. Ondanks de hoge prijs en het beperkte aantal abonnees ging het de krant goed: zij verscheen van 1811 tot 1839 driemaal per week, op dinsdag, donderdag en zaterdag; vanaf begin1839 viermaal (met de zondag erbij); vanaf oktober 1839 vijfmaal (met de woensdag erbij); in 1845-1846 korte tijd ook op vrijdag; en vanaf 10 april 1854 als een echt dagblad, met dagelijkse edities, behalve op zondag.De firma Thieme bediende dus een select publiek dat bijdragen van hoge kwaliteit verwachtte, en Carel Albert Thieme poogde dan ook van meet af aan journalisten en politici van naam aan zijn blad te verbinden, maar hield tevens hun identiteit angstvallig geheim. Voor de hier besproken periode heeft men niettemin verscheidene redacteuren kunnen traceren. Theodorus Marinus Roest van Limburg (1806-1887), zoon van een welgestelde Rotterdamse wijnkoper, redigeerde de A.C. van 1837 tot in 1841. Hij was een leerling en vaste correspondent van de hoogleraar, minister-president en staatshervormer Johan Rudolf Thorbecke, in latere jaren werkzaam in de diplomatieke dienst, en in de jaren 1867-1870 minister van Buitenlandse Zaken in het liberale kabinet Van Bosse-Fock. Van 1841 tot in of kort na 1846 werd hij opgevolgd door N. Olivier, eveneens liberaal en een protégé van Thorbecke. Mr. Jean Henri Guillaume de Boissevain (1817-1870) volgde Olivier op en bleef tot in 1864 redacteur van de A.C. Ook De Boissevain, zoon van een voornaam Amsterdams koopman en behalve jurist een ijverig pamfletschrijver en gedreven liberaal, stond met Thorbecke in nauw contact. De roman- en toneelschrijver Gerard Keller redigeerde het blad van 1864 tot in 1888, na in 1862 hiertoe te zijn aangezocht op instigatie van Thorbecke. De keuze van de hoofdredacteurs en hun opeenvolgende nauwe banden met de onbetwiste leider van de liberalen in de Tweede Kamer, tekenen afdoende de politieke richting van het blad.p. 4 Naast de talrijke nieuwsberichten, overgenomen uit Nederlandse en buitenlandse kranten, de vele officiële bekendmakingen voor Gelderland en het lokale, Arnhemse nieuws, waagden Carel Albert Thieme en zijn redacteuren zich rond deze tijd ook welbewust en in toenemende mate aan kritisch commentaar. De overheden bleken daar allerminst van gediend en maakten van de nog semi-officiële positie van de A.C. aanvankelijk dankbaar gebruik om de krant onder druk te zetten. Zo riep gouverneur Van Lynden in mei 1823 Thieme op het matje en waarschuwde hem de kritische toon van zijn blad te matigen, onder dreiging dat anders de Gelderse gemeenten hun abonnementen zouden opzeggen. Van Lynden werd in zijn strenge houding gesteund door de ervaren, pragmatische en rechtlijnige minister van Justitie Cornelis Felix van Maanen, nog gestaald in de kaders van de Napoleontische wetgeving en censuurpolitiek. In 1820 stelde deze minister dat "de gehele maatschappij te gronde [zou] gaan, wanneer boosaardige guiten"... koning en gouvernement zouden blijven schofferen met hun "schotschrijverij" in de pers. Toen de A.C. in december 1823, ondanks Van Lyndens dreigement, een artikel publiceerde over het misbruik dat ambtenaren maakten van de muntomwisseling die dat jaar plaatsvond, volgde het eerste van meerdere persprocessen tegen de krant. Aangezien de regering noch individuele ambtenaren door de Courant waren beschuldigd, werden Thieme en zijn blad vrijgesproken, uiteraard tot ongenoegen van Van Lynden en Van Maanen. Het feit dat Thieme en zijn redactie zich van het abonnementen-dreigement niets hadden aangetrokken en gerust een proces riskeerden, wijst er op dat zij rond 1823 over voldoende zelfvertrouwen èn gegoede particuliere abonnees beschikten om zich onafhankelijk van de overheden te kunnen opstellen.Dit deden zij in toenemende mate, van tijd tot tijd de politiek van koning Willem I prijzend, maar toch meer en meer met een onverbloemd oppositionele, liberale houding. De A.C., als enfant terrible in wording, schreef op dinsdag 29 juni 1824 een bespiegeling over het onderwerp "Liberaliteit", dus over haar eigen politieke richting. Die 'liberaliteit' werd daarin omschreven als een natuurlijk menselijk streven naar vrijheid, dat in een goed beargumenteerde, verstandige dialoog met de heersende vorsten en zonodig via een even goed beargumenteerde oppositie tegen de heersende staatsgebreken, tot stand gebracht moest worden. Helaas, aldus ons enfant terrible, werd dit liberalisme, na door alle vorsten en ministers te zijn verwelkomd als redmiddel tegen de Napoleontische dictatuur, tien jaar later als een stout kind gestraft wanneer het een keertje te vrijpostig werd. De A.C. had hiermee geen ongelijk en haar kenschetsing van de veranderde politieke houding sinds 1814 gold beslist ook voor het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden, waarin Nederland en het latere België door het Wener Congres waren samengevoegd om een krachtige bufferstaat te vormen tegen het destijds zo gevreesde Frankrijk. Ook al had de soevereine vorst Willem Frederik van Oranje, sinds 1815 koning Willem I, zijn staatsbestel bewust en welwillend gevestigd op een grondwet, en spande hij zich oprecht en onvermoeibaar voor zijn land in, toch viel op de regeringspraktijk nogal wat aan te merken.De grondwet van 1815 voorzag in een regeringsbestel met een Staten-Generaal, bestaande uit een Eerste en een Tweede Kamer, waarbij de Tweede Kamer het recht van initiatief uitoefende en de Eerste Kamer gedane voorstellen kon verwerpen: een vaak gehanteerd machtsmiddel, vooral omdat de Kamer ook de merendeels door de koning en de ministers samengestelde begroting kon verwerpen. De uitvoerende macht werd uitgeoefend door de Kroon, dat wilde zeggen de koning en zijn ministers. De ministers werden door de koning benoemd en hoefden uitsluitend aan hem persoonlijk verantwoording af te leggen voor hun beleid. De koning bezat ook zelf evenals de Tweede Kamer het recht van initiatief. Overleg- en besluitvormingstrajecten waren evenwel onduidelijk. Veel wetsvoorstellen werden achter gesloten deuren voorbereid in adviescommissies uit de Tweede Kamer en ideeën werden, behalve door de diverse staatsraden en de ministers, vaak aangedragen door adviseurs en vrienden van de koning, die een relatief grote persoonlijke macht kon uitoefenen en daarvan, naarmate de jaren verstreken, ook steeds meer gebruik maakte. Het staatsbestel berustte op de aloude standenmaatschappij. De Eerste Kamer was samengesteld uit door de koning benoemde notabelen; de Tweede Kamer werd gekozen door de leden der Provinciale Staten, en dezen bestonden uit vertegenwoordigers van drie standen: de adel, de steden en de eigenerfde grondbezitters.p. 5In het Zuiden ontmoette de protestantse Willem I spoedig tegenwerking van katholieke zijde, die sterk toenam door zijn wetgeving tot inperking van het katholieke onderwijs en vervanging daarvan door algemeen staatsonderwijs, waaronder ook een staatsopleiding voor priesterstudenten. ’s Konings taalbesluiten (in Vlaanderen werd alleen het Nederlands toegestaan), de oncontroleerbaarheid van zijn financiële politiek en zijn processen tegen de oppositiepers deden hem ook de sympathie van de opkomende liberale stroming in het Zuiden verliezen. De groeiende kritiek en een crisis in de Zuidnederlandse, reeds zeer moderne en grootschalige industrie, gepaard gaand met voedselschaarste, mondde uit in de Belgische Revolutie van 1830-1832, die leidde tot een spoedig internationaal gesteunde en erkende afscheiding van België. Willem I weigerde evenwel jarenlang zich bij de feitelijke onafhankelijkheid van België neer te leggen en hield, onder zeer hoge kosten, het leger op volle oorlogssterkte. Pas in 1838-’39 bleek hij bereid de nieuwe staat te erkennen. Zijn halstarrige volhardingspolitiek lokte in de overgebleven noordelijke helft van zijn koninkrijk kritiek uit, vooral van liberale zijde.In deze omstandigheden leverde de A.C. in toenemende mate kritiek op de weinig liberale grondwet, maar steunde zij steeds de regering tijdens de Belgische Opstand. Wat dit tweede punt aangaat, liet Arnhems dagblad niets te raden over in haar artikel van 2 januari 1830 over de groeiende gisting in het Zuiden: zij noemde het samengaan van oppositionele Belgische liberalen en katholieken in hun grieven tegen het koninklijke bewind een "...onnatuurlijken coalitie tusschen die twee geesels des menschdoms, de Jakobijnen en Jezuïten", en riep heel het Noordnederlandse volk op zich rond Willem I te scharen ter verdediging van "Beschaving en Verlichting". Twee elementen komen hier naar voren die de gehele 19e eeuw een rol zouden blijven spelen in de A.C.: een afkeer van revolutionair geweld en een krachtig antipapisme èn antiklerikalisme. Het eerste element werd gevoed door de overtuiging dat men in politicis te allen tijde volgens de grondwet diende te handelen. Het tweede werd enerzijds bepaald door het vrijzinnige protestants-liberale karakter van de A.C., anderzijds door het liberale standpunt dat geloof een privé-kwestie was en politiek principieel op niet-confessionele basis bedreven diende te worden. Opvallend hierbij was het gegeven dat de A.C. in haar afkeer van dit veronderstelde rooms-revolutionaire complot nauwelijks oog had voor de aanvankelijke, in 1828 en 1829 in petities geuite Belgische eisen als vrijheid van drukpers en van onderwijs, en verantwoordelijkheid van de ministers voor het parlement en niet slechts voor de koning: uitgesproken liberale eisen, zoals de A.C. ze zelf weldra volop zou verdedigen. De Belgische Afscheiding van 1830-'31 werd door A.C. evenwel vooral betreurd omdat de krant verwachtte dat bij gemis van Vlaanderen en de Nederlandstalige delen van Zuid-Brabant in het overgebleven noordelijke koninkrijk de provincie Holland te veel invloed zou krijgen: reden voor haar om de ijver te temperen waarmee men zich te Amsterdam vóór afscheiding van het Zuiden verklaarde.Toen eind 1831 de stichting van een onafhankelijk België onafwendbaar was, analyseerde de A.C. in november het door Engeland, Frankrijk, Pruisen, Rusland en de Oostenrijkse keizer ontworpen vredestraktaat, dat door de Belgen reeds was aanvaard, en pleitte op grond van die analyse voor vrede. De verwerving van een Nederlands-Limburgse provincie, inclusief rijke kolenmijnen in het zuiden, de betrekkelijk gunstige verdeling van de gezamenlijke staatsschuld over de twee koninkrijken, de teruggave van de persoonlijke domeinen van het Oranjehuis in België en het feit dat België geen vrije vaart op de Nederlandse koloniën zou krijgen, wogen volgens de A.C. ruimschoots op tegen het nadeel van een eventueel aan te leggen Belgische spoorweg van Antwerpen via Sittard naar Duitsland. Ook wogen die voordelen ruimschoots op tegen het het vooruitzicht door afwijzing van het traktaat het leger nog maanden of jaren in staat van paraatheid te moeten houden, waarmee men miljoenen guldens zou verspillen èn zich de woede van de vijf grote mogendheden op de hals zou halen. Deze gevaarlijke politiek zou ook een herstel van de handelsbetrekkingen met het voormalige zuidelijke rijksdeel in de weg staan. Daarmee keurde de A.C. de volhardingspolitiek van de koning, die weldra zou beginnen en het land tot 1839 in zijn greep zou houden, reeds bij voorbaat af. Op zaterdag 27 december 1834 keerde de A.C. zich expliciet tegen ieder perspectief van een eventuele hereniging, en gaf, al te optimistisch, hoog op van de economische, bestuurlijke èn morele voordelen die vorst en volk wonnen wanneer men afgescheiden zou blijven van, zoals het heette "...den verfranschten en verbasterden Belg...", altijd misnoegd tegen het Noorden en zijn protestantse koning en opgeruid door de katholieke geestelijkheid.p. 6In datzelfde jaar 1834 kreeg de oppositie van de A.C. tegen het beleid van koning Willem I een nieuwe dimensie toen de krant in de bres sprong voor de protestanten die zich vanaf dat jaar afscheidden van de Nederlands Hervormde Kerk, en strafrechtelijk vervolgd werden omdat zij weigerden zich volgens de wet als nieuw zelfstandig kerkgenootschap te laten erkennen; immers, zo vonden zij, waren zijzelf, met hun strengere leer, de enige ware opvolgers van de oorspronkelijke Gereformeerde Religie. Verscheidene gerechtshoven en provinciegouverneurs namen, met volle steun van de koning, tussen 1834 en 1840 strenge maatregelen tegen de Afgescheidenen, zelfs tot en met inkwartiering van soldaten bij de opstandige gemeenten. Tot de voorstanders van hard optreden behoorde ook de gouverneur van Gelderland, W.H.A.C. van Heeckeren van Kell, hierbij gesteund door ds. Hendrik Herman Donker Curtius (1778-1839), predikant te Arnhem, voorzitter van de Hervormde Synode en wegens zijn grote invloed bijgenaamd 'de paus van Arnhem'. Saillant detail: zijn broer, mr. Dirk Donker Curtius (1792-1863), advocaat en later kamerlid en minister van Justitie, was als jurist een van de verdedigers in de processen tegen de Afgescheidenen en medewerker van de A.C. Het toenemende geschrijf van de Courant tegen het regeringsbeleid was inmiddels voor Van Heeckeren van Kell aanleiding om haar op 17 oktober 1837 de door de overheid betaalde publicatie van provinciale verordeningen te ontzeggen. Dat het de A.C. bij haar oppositie om de politiek en niet om de persoon van de koning ging, bleek in de twee jaren na het overlijden, op 12 oktober 1837, van zijn echtgenote, Frederika Louise Wilhelmina prinses van Pruisen (1774-1837). In die jaren maakte de eenzame koning nader kennis met een van Frederika's hofdames, Henriëtte gravin d'Oultremont. De gelukkige liaison veroorzaakte een storm van kritiek aan het hof, in de ministerraad, het parlement en de pers, want de gravin was rooms-katholiek en haar familie van vaderskant van Belgische afkomst. Vrijwel heel de liberale en de protestantse pers voerde campagne tegen Henriëtte d'Oultremont, in de volksmond weldra 'Jetje Dondermond' geheten; en het was voor Willem I bijzonder bitter dat in die perscampagne zijn eigen zoon, de prins van Oranje, die fel tegen het voorgenomen huwelijk was gekant, het voortouw nam. Vrijwel heel de liberale en protestantse pers deed mee, met uitzondering van de A.C. Trouw aan haar liberale beginselen verklaarde de Courant dat zij het slechts 'kwezelarij' vond om de koning om geloofsredenen in een privé-kwestie als zijn huwelijk te willen dwarsbomen, en hield zij haar lezers op 1 oktober 1839 de spreuk voor: "vrijheid, ook voor den koning". Deze houding leverde de A.C. onverwachte sympathie op uit katholieke hoek, en verzachtte voor lange tijd het voordien zo manifeste antipapisme van het blad.p. 7Wat niet veranderde was het verlangen van de A.C. naar vèrgaande politieke hervormingen. Reeds aan de vooravond van de Belgische Revolutie was er in het Noorden een bontgekleurde verscheidenheid aan liberale oppositiegroepen opgebloeid met een groot aantal kortstondig verschijnende maar spraakmakende periodieken. Dirk Donker Curtius had in de jaren 1828-1830 ook hierin zijn aandeel gehad met het weekblad De Bijenkorf, die openlijk sympathiseerde met de liberale en katholieke critici in het Zuiden. Tevergeefs had De Bijenkorf gepoogd binnen de kaders van de grondwet en het bestaande koninkrijk de oppositie uit Noord en Zuid te verenigen om zich samen sterk te maken voor verandering. Terecht heeft de Nijmeegse historicus Beekelaar opgemerkt dat onder invloed van een medewerker als de ervaren strafpleiter en doorgewinterde oppositionele journalist Donker Curtius de A.C. eind jaren 1830 - begin jaren 1840 radicaliseerde. In deze jaren liet de krant zich het imago van enfant terrible graag aanleunen. Op 2 juli 1843 repliceerde zij een betoog in het regeringsgezinde Nederlandsch Nieuwsblad van 23 en 24 juni, waarin zij van intriges, boosaardige gezindheid en diepe onkunde was beticht. Diepe onkunde was mogelijk, aldus de A.C., want anders dan het Nieuwsblad ontving de Courant immers geen geheime informatie van de conservatieve ministers en hun partij; haar intriges bestonden uitsluitend uit gehechtheid aan en eerbied voor de grondwet, waarbij zij echter eiste dat ook ministers die grondwet zouden respecteren, en de Courant zou zich dan ook "...blijven verheugen..." in haar boosaardige gezindheid, die er slechts uit bestond de ministers aan de wet te houden.Donker Curtius had in zijn brochure Orde van 1839 reeds gepleit voor openbaarheid van bestuur, volledige vrijheid van drukpers, rechtstreekse verkiezingen in plaats van een Tweede Kamer, gekozen door de standenvergadering der Provinciale Staten, en uitbreiding van het kiesrecht. Ook de A.C. schreef onder invloed van Donker Curtius in de maanden mei en juni 1839 een hele reeks vervolgartikelen over de ministeriële verantwoordelijkheid aan de Tweede Kamer. Die eisen gingen zelfs de meeste liberalen op dat moment te ver, maar kregen weldra warme steun toen een beperkte grondwetswijziging op 4 september 1840 geen fundamentele hervormingen bracht en voor Thorbecke en vele andere liberalen een teleurstelling betekende. Wie heel anders over die grondwetswijziging dacht, was koning Willem I, die zelfs de geringe veranderingen die waren aangebracht, zoals een tweejaarlijkse begroting in plaats van een tienjaarlijkse, als een veroordeling van zijn politiek en een persoonlijke vernedering ervoer. Deze vernedering en de hetze tegen zijn geliefde Henriëtte brachten hem ertoe op 7 oktober 1840 af te treden, en zich met zijn nieuwe echtgenote als graaf en gravin van Nassau in Berlijn te vestigen. In 1842 zou alsnog een verzoening tussen Nederland en zijn voormalige vorst tot stand komen.Intussen was de Belgische Revolutie, met zijn sterk liberale en spoedig ook nationalistische karakter, in het Europa van 1830-1831 geenszins de enige opstand geweest. De Belgische liberalen wisten zich gesterkt door het voorbeeld van hun geestverwanten alsmede van radicalere democraten in Parijs, die in de Julirevolutie van 1830 de conservatieve Franse koning Karel X van Bourbon van de troon stootten. In Italië kwam het in 1831 tot botsingen tussen Italiaanse liberalen en nationalisten en de Oostenrijkse, Habsburgse monarchie die een groot gedeelte van Noord-Italië beheerste. Polen kwam in 1830 in opstand tegen zijn Russische overheersers. De enige van deze opstanden in 1830-’31 die succes hadden, waren de Belgische en de Franse: overal elders werd het spook der revolutie krachtdadig onderdrukt en, zo leek het, met succes, niet tot onverdeeld genoegen van de A.C. Terwijl zij het revolutionair geweld betreurde, koesterde zij doorgaans sympathie voor de nationalistische en liberale ideeën die aan de meeste woelingen ten grondslag lagen, en deed zij via haar uitstekende buitenlandse berichtgeving gedetailleerd verslag van de afzonderlijke opstanden en revolutiepogingen, meestal op basis van een keur aan ter plekke verschijnende buitenlandse kranten en nieuwsbladen.p. 8Ondanks het mislukken van de meeste revolutiepogingen bleef het tussen 1830 en 1848 vrijwel overal in Europa in meer of mindere mate onrustig. Sociaal-economische factoren speelden hierbij in toenemende mate een rol. Tussen 1750 en 1850 groeide vrijwel overal in Europa de bevolking fors, zowel op het platteland als in de steden. De komst van grootschalige industrieën, aangedreven door stoommachines en het verdwijnen van de bescherming die ambachtslieden onder het gildensysteem van het Ancien Régime genoten hadden, deden na 1800 een snel groeiende, van de nieuwe industrie afhankelijke bevolkingslaag van slecht betaalde, sociaal vrijwel rechteloze fabrieksarbeiders ontstaan. Veel kleinschalige nijverheid op het platteland, zoals de thuisweverij, werd hoe langer hoe meer uit de markt gedrukt door de opkomende grootindustrie, waardoor, in combinatie met de bevolkingsgroei, werkloosheid en armoede ook onder de plattelandsbevolking toenamen. Ondervoeding en slechte woon- en arbeidsomstandigheden maakten vooral de armere bevolkingslagen extra vatbaar voor epidemieën, zoals de gevreesde cholera, die in 1836-’37, 1847-’49 en 1851-’54 in tal van Europese landen huishield. Misoogsten, met als gevolg voedselschaarste en enorme prijsstijgingen, konden door de ontstane overbevolking rampzalige gevolgen hebben, met als meest beruchte voorbeelden de misoogst van 1846 en de schrale oogst van 1847, en werden regelmatig gevolgd door hongersnood en voedselrellen. Werkloze fabrieksarbeiders en verarmde landarbeiders vertrokken uit hun oorspronkelijke leefomgeving naar elders, op zoek naar werk, in een poging de armoede te ontvluchten. Mensen raakten los van hun vertrouwde omgeving. De kloof tussen arm en rijk nam toe. Traditionele, paternalistische verhoudingen tussen meester en gezel, baas en knecht, die vele werknemers een zekere bescherming geboden hadden en de sociale gezagsstructuren hadden bepaald, vielen weg. Ook de A.C. vielen zulke ontwikkelingen op, al wist zij er geen effectievere remedie voor dan een beroep op de medemenselijkheid van de beter gesitueerden, wier onverschilligheid en liefdeloosheid soms fel werd gehekeld. Op 28 december 1844 bevatte de A.C. een scherpe satire over een rijke dame die een vlieg in het melkkannetje van haar theestel van de verdrinkingsdood redt en het diertje vervolgens vanwege de winterse kou veilig binnen houdt, met als moraal dat menige arme graag met die vlieg had willen ruilen. "Ja", aldus de A.C., "het is beter de hond, de kat of de vlieg eener rijke dame dan een [arm] mensch te zijn, dien men maar al te dikwijls met een 'God helpe u !' afscheept." De sociaal ontwortelde, verarmde, soms hongerende arbeiders en dagloners, in de industrie- en hoofdsteden in grote concentraties aanwezig, vormden spoedig een revolutionair potentieel dat gevaarlijk was voor de gevestigde orde, zoals men in 1830 en 1848 in een groot deel van Europa ervoer. De sociale wantoestanden gaven vele denkers en schrijvers aanleiding om een rechtvaardiger verdeling van macht en rijkdom te bepleiten. Eén van hen, de Engelsman Charles Owen, liet zijn gedachten gaan over een gemeenschappelijk bezit van de gezamenlijke vruchten van alle verrichte arbeid, dus van het aanwezige kapitaal, en had daarvoor in 1827 de term ‘socialisme’ geïntroduceerd. Uit de grote sociaal-economische veranderingen tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw kwamen allerlei vroeg-socialistische en radicaal-democratische ideeën voort, die mèt liberalisme en nationalisme krachtige brandstoffen zouden vormen voor het hernieuwd en buitengewoon hevig oplaaien van het revolutievuur in 1848.Met dit revolutievuur zullen wij straks deze lezing voortzetten.------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------p. 9Geachte toehoorders,Zoals we zagen was sinds de afscheiding van België het verlangen naar politieke hervormingen onder de liberale burgerij alleen maar toegenomen, en dat gold met name ook voor de redacteuren en medewerkers van de A.C. Toen in het voorjaar van 1839 de perscampagne tegen het aanstaande huwelijk van Willem I van start was gegaan en reeds geruchten over een eventuele abdicatie de ronde deden, schreef de A.C. op 12 mei te hopen dat de prins van Oranje, mocht hij binnenkort zijn vader opvolgen, niet als een paternalistische "vader der natie" maar als een "constitutionele koning" zou gaan regeren en een vèrreikende grondwetsherziening in liberale zin zou doorvoeren. "Wie eene nieuwe regering wil, helpe ons de dooden begraven", zo kopte de Courant op 31 januari 1841, en met de "dooden" bedoelde het blad de conservatieve ministers en adviseurs zoals Van Maanen, die onder Willem I de dienst hadden uitgemaakt en die nu maar snel moesten vertrekken. Immers, alles zou nu anders worden, want, zo schreef de krant: "Willem II is verschenen, en wij hebben de overtuiging, wij hebben ze thans, dat Willem II het kwaad grootendeels inziet en verbetering wenscht." Spoedig moest de A.C. ervaren, dat die verbetering ook onder Willem II niet zonder slag of stoot zou intreden: de nieuwe koning bleek even afkerig van politieke hervormingen als zijn vader..In de Tweede Kamer uitte de oppositie zijn grieven met name via het ‘voorstel van de Negen Mannen’ van 10 december 1844. Negen liberale kamerleden, onder wie ook Dirk Donker Curtius, poogden onder leiding van Johan Rudolf Thorbecke de publieke opinie te mobiliseren via een voorstel tot een liberale grondwetswijziging, dat gezien de tegenstand van Willem II en de overwegend conservatieve samenstelling van het parlement echter al bij voorbaat kansloos was. Het voorstel bevatte onder andere ministeriële verantwoordelijkheid aan de Tweede Kamer en rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer en de Provinciale Staten. Via Donker Curtius was de krachtigste spreekbuis voor de negen liberale kamerleden de Arnhemsche Courant, die zich inmiddels profileerde als de meest gezaghebbende liberale krant in Nederland. De Courant schreef op 14 december 1844, onder de sarcastische kop "In de Tweede Kamer vertoont zich eenig leven", dat een liberale grondwetsherziening inmiddels "eenen nationalen wensch" was geworden. De Courant sprak de verwachting uit dat deze wens, ofschoon sinds 1840 van regeringswege met minachting bejegend, hoe dan ook zou zegevieren, ondanks de "onwil der ministers -- het onverstand der Eerste Kamer, of de onderdanige slaafschheid der Tweede Kamer." Onderdanig aan Willem II was deze conservatieve Tweede Kamer zeker, want zij weigerde het voorstel zelfs maar in behandeling te nemen.Die langverwachte zege kwam pas in 1848, na een volgende jarenlange perscampagne in onder meer de A.C. De uitgever Carel Albert Thieme, die zich via zijn krant zozeer voor de grondwetsherziening had ingezet, heeft deze niet meer mogen meemaken: hij overleed in oktober 1847, waarna het bedrijf in zijn geest werd voortgezet door zijn vrouw en spoedig door zijn zoon Gerrit Jan Thieme. Dramatische gebeurtenissen in het buitenland gaven weldra in de strijd om de grondwetsherziening de doorslag.Begin 1848 balden zich in het sociale en politieke zwerk boven Europa donkere wolken samen: honger onder fabrieks- en landarbeiders en sociale onrust onder de kleine burgerij, na de door de aardappelziekte veroorzaakte misoogsten van 1845 en vooral van 1846 en 1847; de grieven van de gezeten liberale burgerijen, die al ruim twee decennia tevergeefs ijverden voor toegang van hun stand tot de regering, vrijheid van drukpers en inperking van de monarchale macht; de nationalistische verlangens naar vrijheid, gistend onder bevolkingsgroepen die zich onderdrukt en overheerst voelden door vreemde mogendheden zoals in Noord-Italië en Hongarije; de agitatie van vroeg-socialistische, radicaal-democratische en liberale persorganen: dit alles barstte weldra uit in een nieuwe revolutionaire storm.In Frankrijk verjoeg de Februarirevolutie koning Louis Philippe en kwam er een gematigd-republikeins bewind aan de macht. Dit nieuwe bewind kreeg ter rechterzijde echter weinig steun van de talrijke kleine boeren, de clerus en de grootgrondbezitters, en werd ter linkerzijde in juni geconfronteerd met een massale opstand van arbeiders en kleine handwerkslieden, die door het republikeinse leger bloedig werd onderdrukt. De revolutie liep uit op de verkiezing tot president van Louis Napoleon Bonaparte, neef van Napoleon, en op diens succesvolle staatsgreep eind 1851, die Frankrijk uiteindelijk, in december 1852, het Tweede Keizerrijk bracht en aan alle liberaal-democratische en vroeg-socialistische illusies een eind maakte.Liberale opstanden in Rome, Napels en Toscane en gewapende nationalistische en republikeinse revoltes in Venetië en Milaan tegen de Oostenrijkse, Habsburgse overheersing werden met moeite onderdrukt. Tegelijkertijd, in 1848-’49, kwamen ook de Hongaren onder liberaal-nationalistische leiding gewapend in opstand tegen Oostenrijk, evenals Tsjechische nationalisten in en rond Praag. Ook deze opstanden mislukten; bewegingen van liberale burgers en studenten in Wenen hadden enige beperkte politieke hervormingen tot gevolg. Ook in Duitsland vonden liberale bewegingen en opstanden van burgers en studenten plaats, onder meer in Berlijn, Dresden, Baden, de Palts, Stuttgart, Keulen, Frankfurt en München. Op 1 maart 1848, kort na het afzetten van koning Louis Philippe en het uitroepen van de Tweede Franse Republiek, schreef de A.C., niet zonder dreiging: "Zal zijn lot [ dat van Louis Philippe ] eene les zijn voor andere koningen, zullen zij leeren bij tijds in te willigen wat niet straffeloos te weigeren, te vertragen is ?" "Wanneer de natiën eens begonnen te begrijpen, dat men onder eene republiek niet minder genoegelijk kan leven dan onder de legitiemste monarchie, dan kon het wel eens gebeuren [dat het ook voor Willem II slecht afliep], want natiën redeneren soms verschrikkelijk logisch." De Februarirevolutie in Parijs, het overslaan daarvan naar Berlijn en rellen in Amsterdam veranderden op 13 maart koning Willem II, zoals hijzelf zei, in 24 uur van zeer conservatief in zeer liberaal. Op 17 maart werd een commissie tot herziening van de grondwet geformeerd onder leiding van Thorbecke, met als resultaat dat op 3 november 1848 een vernieuwde grondwet kon worden afgekondigd. De meeste liberale desiderata werden daarin verwezenlijkt: rechtstreekse verkiezingen via censuskiesrecht voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden; ministeriële verantwoordelijkheid aan het parlement; uitbreiding van de wetgevende en controlerende bevoegdheden van de Tweede Kamer; vrijheid van onderwijs en godsdienst, van vereniging en vergadering en van meningsuiting en drukpers.p. 10De liberalen hadden nu inderdaad gezegevierd, en zouden vanaf het eerste kabinet-Thorbecke, gevormd in 1849, tot en met 1888 de belangrijkste politieke kracht in de Tweede Kamer vormen en de meeste kabinetten leveren. Koning Willem II was inmiddels op 17 maart 1849 overleden en opgevolgd door Willem III, die tot in 1890 zou regeren, zeer tegen zijn zin onderworpen aan de beperkende bepalingen van de herziene grondwet.Gedurende de veertig regeringsjaren van koning Willem III, tot 1872 in sterke mate beheerst door Thorbeckiaanse kabinetten, schreef de A.C. over tal van onderwerpen en zette daarmee veel arbeid voort die reeds eerder was begonnen. Al vroeg, vanaf 4 februari 1834, had de A.C. aangedrongen op het aanleggen van spoorwegen, die sindsdien met horten en stoten tot stand kwamen totdat de spoorwegwet van 1860 een definitieve en grootschalige uitbreiding van het spoorwegnet regelde. Een mooi voorbeeld van het ijveren van de A.C. voor spoorwegaanleg vinden we in een "Bijvoegsel" bij de A.C. van 12 juli 1861, waarin een verslag was opgenomen van de inkomsten en uitgaven van de provincie Gelderland over het jaar 1859. Er bleek een overschot op de balans van maar liefst f 23.000,- , waarbij welwillend werd opgemerkt dat er van dit bedrag vast wel f 10.000,- zou overschieten voor een spoorbrug bij Zutphen in de weldra aan te leggen spoorweg tussen Arnhem en Zutphen.Even vroeg had de A.C. zich ingezet voor afschaffing van het sedert 1830 ingevoerde en steeds uitgebreide cultuurstelsel in Oost-Indië, dat de inlanders verplichtte eenvijfde van hun landbouwgrond te bebouwen met handelsgewassen als suiker, indigo, peper, kaneel, katoen, tabak en thee, ten behoeve van de door Willem I in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel Maatschappij. Deze gedwongen teelt werkte tal van misbruiken en corruptie in de hand en leidde vanaf 1845 zelfs meermaals tot hongersnoden. Reeds in de jaren 1840 kwam de A.C. in het geweer tegen de heersende misbruiken en zette die lijn in de decennia daarna voort, met name via veel ingezonden stukken over het onderwerp. Een voorbeeld is de bijdrage van een inzender die tekende met H. van 10 mei 1861, en die geheel in liberale trant betoogde dat het stelsel alleen al door concurrentie van elders en door de opkomst van vrije handel en industrie onhoudbaar zou blijken. Vanaf 1870 werd het cultuurstelsel inderdaad geleidelijk aan afgeschaft.Een onderwerp dat de A.C. en met haar heel de publieke pers direct raakte, was de wens tot afschaffing van het dagbladzegel, de zegelbelasting die geheven werd op kranten en tijdschriften, een aantal vrijstellingen daargelaten. Grondwettelijk was de pers sinds 1848 vrijer dan ooit, fiscaal en economisch was ze dat allerminst, want het dagbladzegel drukte zwaar op het persbedrijf. Het liberale Algemeen Handelsblad bijvoorbeeld had in het jaar 1868 een totale uitgavenpost van f 299.000,- waarvan maar liefst f 143.000,- aan zegelrecht: bijna de helft van de totale uitgaven. Ieder vel papier moest, alvorens het gedrukt en in katernen gevouwen werd, ter zegeling worden aangeboden bij de regionale kantoren der ontvangers van het buitengewoon zegel, waarvan er ook te Arnhem één gevestigd was. De kosten waren afhankelijk van de grootte per vel. Daarna moesten de vellen nog op een ander kantoor door de controleur van dat zegel gecontroleerd worden, dit alles volgens de herziene zegelwet van 1843. Op die manier werden er voor de A.C. met haar 500 abonnees alleen al in het eerste half jaar van 1851 65.000 vellen papier door de 'zegelkloppers' gestempeld: allemaal handwerk. Ook voor de plaatsing van advertenties moest zegelrecht worden betaald. In 1861 plaatste de patisseur G.A. Smits, gevestigd in de Broerestraat te Arnhem, een advertentie van vier regels tekst in de Arnhemsche Courant voor "Versche Berliner Bollen". Onze nijvere banketbakker moest daarvoor per regel tekst f 0,20,- betalen, dus f 0,80,- in totaal, maar daar bovenop kwam nog eens f 0,35,- zegelrecht. 's Mans advertentiekosten werden hierdoor dus met bijna de helft verhoogd.Het zegelrecht kostte de uitgevers en adverteerders schatten geld, werkte buitengewoon omslachtig en bracht door die ingewikkelde en kostbare wijze van inning de Staat nauwelijks voordeel. Geen wonder dat in liberale kringen het dagbladzegel werd gezien als een hinderpaal voor de persvrijheid en een contraproduktieve belasting op kennis en informatie. De A.C. was in de bestrijding van het zegel zeer actief. Op 4 mei 1851 schreef de krant een uitgebreid betoog tegen het heffen van zegelrecht op geïmporteerde buitenlandse kranten, waardoor de abonnementskosten soms verdubbeld of bijna verdubbeld werden. Voor de beste krant van België, L'Indépendance Belge, moest men in Nederland f 37,- abonnementskosten per jaar betalen, maar, aldus de A.C., daar kwam nog eens f 26,37,- aan zegelrecht bovenop. Een uiterst nadelige zaak voor de Nederlandse pers, aangezien men voor buitenlandse berichtgeving grotendeels op die buitenlandse kranten was aangewezen, ook al bracht vanaf eind jaren 1840 de ontwikkeling van de telegraaf daar langzaam enige verandering in.Tussen 29 maart en 8 april 1861 publiceerde de A.C. een serie van zeven artikelen tegen het dagbladzegel. In het eerste van deze stukken kenschetste de Courant de zegelbelasting als "eene belasting die èn onredelijk is in haren bovenmatigen druk, èn omdat zij door haren druk dit belemmert, wat het minst van allen belemmerd moet worden: de verstandelijke ontwikkeling, de geestbeschaving des volks." In deze belangrijke artikelenserie ging de A.C. bovendien in op andere factoren dan het zegelrecht die de kwaliteit en de ontwikkeling van de Nederlandse pers schade toebrachten, zoals het geringe maatschappelijke aanzien van de journalist. Een uitspraak van de toekomstige hoofdredacteur Keller hierover luidde: Men wordt geen journalist bij een krant voor men eigenlijk zijn carrière gemist heeft.Door de betogen in de A.C. en andere liberale persorganen nam inmiddels de oppositie tegen de zegelbelasting toe, en op 17 april 1867 richtten enkele notabelen te Rotterdam zelfs een 'Verbond van Anti-Dagbladzegelaars' op. De jarenlange inspanningen werden bekroond met de afschaffing van het dagbladzegel door de liberale minister van Financiën mr. Peter Philip van Bosse per 1 juli 1869: de datum waarvan wij aan het begin van ons verhaal zagen dat deze door de A.C. als een feestdag, ja zelfs als het begin van een nieuw tijdperk werd gevierd. "Voor de nederlandsche dagbladpers", zo schreef de krant op de morgen van 1 juli, "is de avond van 30 juni 1869 een werkelijke oudejaarsavond; en de ochtend van 1 julij een werkelijke nieuwjaarsochtend." Eindelijk was de pers verlost van wat de A.C. noemde het "blaauwe brandmerk der fiscaliteit".Het effect werd de lezers van de A.C. terstond duidelijk: het nummer van woensdag 30 juni 1869 verscheen nog met in de colofon een prijsopgave van f 4,40,- per kwartaal, en f 5,- bij opzending per post; het nummer van donderdag 1 juli 1869 vermeldde een prijs van nog maar f 3,40,- per kwartaal, en bij verzending naar elders f 4,20,-.De grondwetswijziging van 1848 en de afschaffing van het dagbladzegel in 1869 maakten de weg vrij voor grote veranderingen in de samenleving en in het Nederlandse perslandschap.p. 11Als vanouds bleef de A.C. in die veranderende samenleving op de bres staan voor de vrijheid, ook waar het een verworvenheid betrof die wij dit jaar, 2013, herdenken: de afschaffing van de slavernij in Suriname per 1 juli 1863. Niet enkel de slavernij in de eigen koloniën, maar ook die in Noord-Amerika kreeg ruime aandacht van de A.C. De berichtgeving over de slavernijkwestie aldaar èn de gevolgen ervan geven ons een bijzonder inkijkje in het liberalisme van de krant zoals zich dat in de periode 1860-1888 ontwikkelde. Die berichtgeving ving pas in alle ernst aan toen de A.C. op 6 en 9 augustus 1861 de blik van de lezer richtte op een onwaarschijnlijke gebeurtenis bij een klein Amerikaans stadje, genaamd Manassas. Na een lange voorgeschiedenis van toenemende twisten hadden een aantal zuidelijke staten zich van de Verenigde Staten van Amerika afgescheiden, met een beroep op hun zelfbeschikkingsrecht als staat, inclusief het recht tot het houden van slaven. Zowel de federale president Abraham Lincoln als de regering van de nieuw gevormde zuidelijke confederatie hadden een troepenmacht op de been gebracht. De Zuidelijken hadden zich bij Manassas geposteerd, in wat door de A.C. werd betiteld als een strategisch onhoudbare positie. Het Arnhemse dagblad sloot zich hiermee aan bij het algemene optimisme in het Noordelijke kamp. Dit optimisme was zo groot, dat op 21 juli 1861 mèt het federale leger duizenden burgers uit Washington en omgeving in rijtuigen richting Manassas trokken, allen in hun mooiste zondagse kleren, om onder het genot van goedgevulde picknickmanden te komen zien hoe de Zuidelijken verslagen zouden worden. Het liep anders. De met succes aanvallende Noordelijken werden weldra bij verrassing door Zuidelijke cavalerie en een per trein aangevoerde Zuidelijke infanteriebrigade overrompeld. De federale troepen vluchtten met de kijklustige burgers in volslagen paniek weg, richting hoofdstad. Zo eindigde, tot verbazing van velen, de eerste grote veldslag van de Amerikaanse Burgeroorlog, een ruim vierjarige tragedie, die tot afschaffing van de slavernij zou leiden, maar aan ruim een half miljoen Amerikanen, wit en zwart, het leven zou kosten.Ruim vier jaar lang berichtte de A.C. bijna dagelijks over de krijgsverrichtingen en politieke ontwikkelingen in Amerika, in de eerste jaren parallel aan de inspanningen in eigen land tot afschaffing van de slavernij in Suriname. De Surinaamse slavernij was, zoals de Courant op 13 mei 1861 schreef, een "...gruwelijke instelling, die onze natie onteert..." en die niet snel genoeg afgeschaft kon worden. De Nederlandse slavenhouders eisten in geval van afschaffing financiële compensatie. De A.C. stelde op basis van Franse en Engelse voorbeelden dat pas achteraf, na vrijmaking van de slaven, vastgesteld hoefde te worden of zulk een compensatie nodig was. Immers, het ging er in de eerste plaats om, aldus de A.C., dat de slaven "hunne natuurlijke vrijheid" zouden terugkrijgen en dat men zich vervolgens zou inspannen de maatschappelijke kloof in de Surinaamse samenleving tussen vrije burgers en voormalige slaven zo goed mogelijk te dichten.Tegen de achtergrond van het voortdurend ijveren van de A.C. voor afschaffing van de slavernij, wekt het in eerste instantie verbazing dat de Emancipatieverklaring, waarmee president Lincoln op 22 september 1862 de slavernij in de gehele Verenigde Staten voor afgeschaft verklaarde, in het Arnhemse dagblad buitengewoon negatief ontvangen werd. De reden hiervoor wordt duidelijk in het redactionele hoofdartikel van 9 oktober 1862. De noordelijke Unie, aldus de A.C., had het volste recht gehad de zuidelijke Confederatie de oorlog te verklaren, aangezien het de Zuidelijken waren die de band van de Unie hadden verbroken en als eersten naar de wapens hadden gegrepen. Geweld was dus gewettigd om de Zuidelijken in de Unie terug te brengen. Met de afschaffing van de slavernij lag dat evenwel heel anders, aldus de A.C. De slavernij, hoe verwerpelijk ook, was in de Amerikaanse grondwet toegestaan, zodat zij volgens de Courant alleen kon worden beëindigd door een "...op wettige wijze tot stand gebrachte wijziging der constitutie, in gemeen overleg met de belanghebbende slavenstaten...". Wat Abraham Lincoln met zijn Verklaring deed, was volgens de A.C. dus onwettig, een "abolitionistischen coup d'état". Hiermee "treed het gouvernement der Unie geheel op revolutionair gebied en verscheurt de constitutie. ... De rollen zijn daardoor geheel omgekeerd. De zaak van het Zuiden wordt een wettig verzet, terwijl het Noorden rebelleert tegen de grondwet van den Statenbond." Maar ja, "zulke revolutiën van boven af zijn alleen mogelijk in absolute staten", zo schreef de Courant, zoals het "absoluut-democratisch Amerika" of het "absoluut-monarchaal Rusland". Het juiste midden tussen die uitersten was, zo impliceerde deze beschouwing, uiteraard gevonden in Nederland, met de grondwetswijziging van 1848.p. 12Dit wettische, streng-constitutionele standpunt leidde in de A.C. van 28 april 1865 tot een vernietigend oordeel over het optreden van Abraham Lincoln. "Lincoln toch was", aldus de Courant, "de gepersonifieerde abolitionist; zijne verkiezing was de eerste aanleiding tot den strijd van Noord en Zuid en door menschenlevens noch geld liet hij zich weerhouden om dien oorlog voort te zetten, die met den ondergang der zuidelijke staaten eindigen moest." In werkelijkheid ging het Lincoln echter allerminst om die ondergang, integendeel: juist hij belichaamde aan het eind van de oorlog het gematigd standpunt dat alle aangedane leed vergeven moest worden, en het Zuiden zonder verdere bestraffing weer met de Unie verenigd, zoals hij zei "With malice towards none, with charity towards all." Zijn vergevingsgezindheid was de A.C. echter ontgaan. Zelfs de afschuwelijke moord op Lincoln, op 14 april 1865, vermocht het harde oordeel van de Courant over de man, die één van Amerika's grootste presidenten is geweest, niet te verzachten.Het onder alle omstandigheden strikt vasthouden aan de letter van de bestaande grondwet werd, met deze beschouwingen rond de Amerikaanse Burgeroorlog, kenmerkend voor de A.C. in de jaren 1860 - 1888; ook wanneer dit vasthouden door de politieke en militaire noodsituatie, of door veranderende maatschappelijke verhoudingen niet langer reëel was.De A.C. had zichzelf op 1 juli 1869 in de terugblik op haar carrière terecht gekenschetst als een enfant terrible, inmiddels opgegroeid tot een volwassen maar immer kritische en alerte jongedame. Haar houding ten opzichte van president Lincoln liet echter zien dat deze jongdame allengs wat ouder werd, en dat zich daarbij in haar geest onmiskenbaar een zekere mate van rechtlijnigheid, zoniet verstarring begon af te tekenen. Deze toenemende neiging tot een behoudend standpunt, zo heel anders dan in de revolutiedagen van 1848, was niet alleen bij de A.C. waarneembaar maar bij vele liberalen, en vooral bij de oud-liberalen, de 1848-gers rond Thorbecke. Sinds hun succes in 1848 waren zij er aan gewend geraakt de belangrijkste politieke en intellectueel-culturele stroming binnen de Nederlandse samenleving te zijn. In de A.C. uitte zich een opkomende tegenstelling tussen oud-liberalen en meer vooruitstrevenden, bijvoorbeeld in het redactionele hoofdartikel van 4 december 1866 over de conflicten in 1865-1866 tussen Thorbecke en minister van Koloniën Fransen van de Putte, eerst over de wijze van invoering van een Wetboek van Strafrecht voor Europeanen in Indië en later over de afschaffing van het cultuurstelsel in de Oost. Een breuk in het liberale tweede kabinet- Thorbecke, de vorming van een kabinet-Fransen van de Putte op 10 februari 1866 en de val van dit kabinet, reeds op 18 mei 1866, waren het gevolg. De A.C. sprak op 4 december afkeurend over deze gevolgen van wat zij noemde, "de coup d'état -- misschien, beter gezegd van den coup de tête -- van den heer van de Putte." De krant was zich pijnlijk bewust van een scheuring binnen de liberale gelederen in de Tweede Kamer: van "welk liberalisme is tegenwoordig sprake als men het over liberalen heeft, het oude of het nieuwe ?", zo schreef zij, en concludeerde: "eene werkelijk liberale partij bestaat op dit oogenblik niet."p. 13Partijvorming, èchte partijvorming naar moderne maatstaven, was in de twintig jaren na 1866 manifest in alle geledingen van de Nederlandse samenleving. Protestanten en katholieken maakten zich los uit de sinds de jaren 1830 traditioneel geworden tweedeling tussen liberaal en conservatief, en zij richtten al naar gelang hun religieuze signatuur eigen kiesverenigingen op. Tegelijkertijd ontstond er een bloeiende en bont geschakeerde arbeidersbeweging, verdeeld in gematigd-socialistische danwel radicaal-socialistische vakverenigingen. Al deze zich in snel tempo verzuilende stromingen richtten eigen politieke partijen op, met vaste programma's, een steeds hechtere partijorganisatie en eigen dagbladen. Het vroegst was de protestantse Anti-Revolutionaire Partij van Abraham Kuyper in 1878, met als partijkrant De Standaard, reeds verschenen vanaf 1872. In 1881 volgde onder leiding van de bevlogen socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis de Sociaal-Democratische Bond, met als partijorgaan het vanaf 1879 verschijnende weekblad Recht voor Allen. De liberalen sloten hun kiesverenigingen aaneen tot het nog tamelijk losse verband van de Liberale Unie, opgericht op 4 maart 1885. De katholieke kiesverenigingen zouden zich pas in 1896 aaneen sluiten onder de benaming Algemeen Verbond van Roomsch-Katholieke Kiesvereenigingen, onder leiding van Herman Schaepman, maar de roomsen bezaten al vanaf 1845 een eigen krant, De Tijd.De A.C. liet zijn lezers intussen weten met deze partijvorming, ook binnen de eigen gelederen, grote moeite te hebben. De liberale partij, waarover zij in december 1866 had gesproken, was voor haar een verzameling samenwerkende geestverwanten, geen moderne partijorganisatie. Net zoals zij ten aanzien van de Noordelijken in de Amerikaanse Burgeroorlog een strikt constitutioneel standpunt innam, deed zij dat ook ten opzichte van de partijvorming in Nederland. Op 15 juni 1881 beriep de A.C. zich op de artikelen 74 en 82 van de grondwet. Daarin werd gesteld dat de Staten-Generaal het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigden en elk lid der Eerste of Tweede Kamer moest stemmen volgens eed en geweten, zonder lastgeving van of ruggespraak met degenen die hem gekozen hadden. Deze artikelen werden, aldus de Courant, tegenwoordig precies omgedraaid, want om tot een kiesvereniging te kunnen toetreden moest men een "belijdenis" afleggen op het "programma" van de betreffende kiesvereniging. De gekozene was daardoor geen volksvertegenwoordiger meer, maar slechts een representant van zijn eigen kiesvereniging. Daarnaast was hem al bij voorbaat de mogelijkheid ontnomen om als individueel kamerlid naar eer en geweten te kunnen oordelen en stemmen. Met haar afkeer van een moderne politieke partijorganisatie sloot de A.C. zich nauw aan bij de opvattingen die ook de grote oud-liberale voorman Thorbecke tot aan zijn overlijden in 1872 had gekoesterd.De volgende dag, op 16 juni 1881, zette de A.C. een frontale aanval in op het idee van een algemeen kiesrecht voor heel de mannelijke bevolking. Uitbreiding van het kiesrecht werd door steeds meer liberalen als een maatschappelijke noodzaak beschouwd, gezien de verbeteringen in communicatiemiddelen en onderwijs en de langzaam groeiende welstand onder brede lagen van de burgerij. Het onderwerp zou echter ook vanaf de jaren 1880 grote verdeeldheid zaaien in liberale kringen, en de A.C. koos in deze discussie anno 1881 ondubbelzinnig voor de conservatief-liberale zijde. Terwijl de krant in 1861, tijdens de discussies over de vrijmaking van de Surinaamse slaven nog schreef over de hen toekomende natuurlijke vrijheid, liet zij in 1881 duidelijk merken dat zij van natuurlijke rechten, waaronder ook algemeen kiesrecht, weinig meer moest hebben. In het artikel van 16 juni refereerde zij smalend aan de bepoederde pruiken en de "pruikerige staatsphilosophie" van de Patriottentijd, toen men dweepte met natuurlijke, aangeboren grondrechten, volkssoevereiniteit en vèrgaande democratische kiesstelsels; en met misprijzen citeerde zij uit de Bataafse grondwetten van 1798, 1801 en 1805. De A.C., ooit door de patriots-Bataafse bestuurder Steven van Bronkhorst opgericht, schreef in 1881 blij te zijn dat koning Lodewijk Napoleon in 1806 heel die patriotse, "pruikerige staatsphilosophie" had weggevaagd en door "duidelijk en praktisch proza" had vervangen.p. 14Het jaar 1881 was een jaar van Tweede Kamer-verkiezingen, waarin de A.C. enthousiast propaganda maakte voor de herverkiezing van het Arnhemse liberale kamerlid en waterbouwkundig ingenieur Philippe Willem van der Sleijden (1842-1923). Op 14 juni vatte de Courant haar conservatief-liberaal vasthouden aan de letter van de grondwetswijziging van 1848 kernachtig samen met de wens dat de herverkiezing van Van der Sleijden zou tonen "dat Arnhem het oude Arnhem gebleven is, constitutioneel en liberaal".De conservatief-liberale opstelling van de A.C. zal het blad bij de jongere generatie liberalen niet populairder hebben gemaakt, en zeker geen nieuwe abonnees hebben opgeleverd, ook omdat de afschaffing van het dagbladzegel meteen nieuwe concurrentie voortbracht. Binnen het liberale segment van de nieuwsmarkt had de Courant vanaf 1828 al moeten concurreren met het Algemeen Handelsblad, en vanaf 1844 met de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Nog in 1869 kreeg Gerrit Jan Thieme concurrentie van zijn neef, de eveneens succesvolle uitgever Dirk Anthonie Thieme. In afwachting van de naderende afschaffing van het zegel begon Dirk Anthonie op 12 april 1869 een eigen krant, Het Vaderland, ook van liberale signatuur. In 1885 werd Het Vaderland, gevestigd in Den Haag, de voornaamste spreekbuis van de Liberale Unie. De A.C. was vanaf dat moment haar koppositie als leidend liberaal dagblad definitief kwijt. Dit toont aan dat de A.C. van na 1848 het niet steeds gemakkelijk had haar weg te vinden in de mede door haar toedoen in politiek en maatschappelijk opzicht allengs veranderende samenleving.Met de komst van katholieke en protestantse kiesverenigingen binnen die veranderende en verzuilende maatschappij, namen ook het antipapisme en antiklerikalisme in de Courant weer toe. Afkeurend schreef zij bij de verkiezingen van 1881 over het "monsterachtig verbond" tussen antirevolutionaire en roomse kiesverenigingen en waarschuwde zij dat de religieuze meningsverschillen tussen die beide richtingen dreigden over te slaan naar het parlement, ten koste van de rationeel-liberale geest die haar in dat parlement zo lief was. Ten aanzien van de verkiezingen van 1881 kon de A.C. tevreden zijn, want haar kandidaat Van der Sleijden werd herkozen met 1084 van de 2159 geldige stemmen. Toch gaf de uitslag te denken, want de antirevolutionaire kandidaat in Arnhem, jonkheer mr. G.J.Th. Beelaerts van Blokland, kwam wel erg dicht in de buurt met 1069 stemmen.Tegen de voorkeur van de A.C. werd in 1887 een grondwetswijziging doorgevoerd die voorzag in een forse vergroting van het aantal kiesgerechtigden. De herziening was afkomstig van liberale kamerleden, maar kon slechts bereikt worden met steun van de confessionelen, verkregen via een kleine concessie van de liberalen in de schoolstrijd, de strijd om subsidiëring van het bijzonder onderwijs. Bij de daaropvolgende verkiezingen van 6 maart 1888, de eerste, gehouden volgens het vernieuwde kiesrecht, vierde de A.C. in de eigen stad tezamen met de liberale kiesvereniging "Arnhem" uitbundig feest. Gerrit Jan Thieme had wederom krachtig campagne gevoerd voor de plaatselijke liberale kandidaat, de kapitein der Genie Willem Rooseboom (1843-1920), later gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. De verkiezingen als geheel vielen echter in het nadeel van de liberalen en ten gunste van de confessionelen uit. Tot ontsteltenis van de A.C. was ook de socialist Domela Nieuwenhuis tot kamerlid gekozen; zoals de deftige burgerheren van de redactie op 26 maart 1888 schreven: Domela Nieuwenhuis, "de voorganger van de sociaal-democraten -- de partij van hoon en laster zonder eergevoel noch fatsoen...". Niettemin erkende de A.C. in haar nummer van 2 april 1888 volmondig de nederlaag der liberalen en aanvaardde die gelaten. Nederland was anno 1888 veranderd in een verzuilde samenleving met protestantse, roomse en rode zuilen naast de liberale; en met allengs hechter georganiseerde politieke partijen; een samenleving waar een uitsluitend non-confessionele, door 1848 bepaalde politiek en een strikt individueel uitgeoefend kamerlidmaatschap niet langer mogelijk waren. Een samenleving ook, waar een liberaal dagblad niet langer de politieke toon kon aangeven, maar haar geluid slechts kon laten horen in het koor van een meerstemmige pers.Dank voor Uw aandacht.p. 15Bronnen- en literatuuropgave:Bron:Arnhemsche Courant, voornamelijk de jaargangen 1817, 1824, 1839, 1841, 1843, 1844, 1861, 1862, 1865, 1866, 1869, 1881 en 1888.Gebruikte literatuur:Beekelaar, G.A.M. 'Van Staatkundig Dagblad tot Arnhemsche Courant. Mensen en achtergronden', in: Bijdragen en Mededelingen Gelre LXXII (1981) 191-224. Beekelaar, G.A.M. (red.), Maar wat is het toch voor eene Courant ? De Arnhemsche ? Opstellen over de Arnhemsche Courant 1830-1850, Bijdragen tot de Geschiedenis van Arnhem dl. 5 (Arnhem 1981).Hemels, J.M.H.J., Op de bres voor de pers. De strijd voor de klassieke persvrijheid (Assen 1969).Hemels, J.M.H.J., Schneider, M., De Nederlandse krant 1618-1978. Van 'nieuwstydinghe' tot dagblad (Baarn 1979).Hemels, J.M.H.J., 'Arnhemmers en hun kranten. Persgeschiedenis aan de Rijn 1621-2001', in: Arnhem De Genoeglijkste, jrg. 24, 2 (juni 2004) 47-115.Sautijn Kluit, W.P., 'Arnhemsche Couranten', in: Bijdragen tot de Geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel, 5 (Amsterdam 1892-1895) 1-148.Theeuwen, P.J.H.M., ‘Een revolutionaire vallende ster aan het Nijmeegs firmament. Eillert Meeter en De Star der Hoop (1849)’, in: Numaga. Jaarboek gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving, LVI (2009) 104-127.Theeuwen, P.J.H.M., ' "De geachtste Nieuwspapieren leggen daar gereed". Een impressie van pers en politiek te Arnhem, 1781-1787', in: Arnhems Historisch Tijdschrift, jrg. 33, 3 (september 2013) 129-143.