Om alle inhoud te kunnen zien hebt u de actuele versie van Adobe Flash Player nodig.

Start Over ons Verklaring Statuten Reglement Werk / werkgelegenheid Een intellectuele en maatschappelijke ramp Kantelend de Waal in ? Actieplan werkgelegenheid humaniora Proeve van een academisch arbeidsmodel Cijfers academische werkgelegenheid 1990 - 2014 Publicaties Arnhemse Courant 1811 - 1888 Satire in ballingschap. De Gedenkschriften van Martinus Scriblerus, 1714 - 1741 - 1791 / '92 Johan graaf van Welderen, 1711-1724 Om de staat van Staten Publicatielijst Contact Samenwerking Werkgroep HistorieRijkNijmegen 

Om de staat van Staten

Om de staat van Staten, Staat en samenlevingLezing over het veranderende staatsbestel van Gelderland, 1581-1584door P. Theeuwen, 28 november 2014; licht bewerkt in 2019.

p. 1Geachte toehoorders,Deze lezing is gebaseerd op een artikel dat eind dit jaar in BMGelre zal verschijnen. Het betreft een onderzoek naar structurele hervormingen in het Gelders staatsbestel, met name in de Staten van Gelderland gedurende de jaren 1581-1584; een voorlopig onderzoek, dat een tussenbalans vormt in het Project Landdagsrecessen 1581-1798, waarin de Gelderse Statenvergaderingen per handeling en besluit in regestvorm op internet worden gepubliceerd: een uniek Gelders onderzoeksproject, dat tezamen met zijn broertje, het grote onderzoeksproject naar Gelderse ambtenaren van 1543 tot 1795, helaas stil is komen te liggen ten gevolge van bezuinigingen, maar dat niet alleen voortzetting maar zelfs ook uitbreiding zou verdienen, ook met het oog op de financiële mogelijkheden voor beide projecten; daarover straks meer.Op een Landdag, gehouden van 23 tot en met 28 juni 1581, besloten de Staten van Gelderland definitief zich los te maken van hun landsheer, koning Filips II van Spanje, echter vergezeld van het besluit Filips vooralsnog niet tot vijand te verklaren. Temidden van de in 1568 ook in Gelderland reeds volop losgebarsten Opstand en oorlog tegen Spanje geeft dit laatste besluit de zo ingrijpende verwijdering van de landsheer niet zozeer het aanzien van een krachtdadig afstand nemen als wel van een nog schoorvoetende 'Verlating', zoals een maand later, op 22 juli 1581, ook letterlijk werd uitgedrukt in de titel van het Plakkaat van Verlatinge, door de Landdag op 26 juli bekrachtigd: een onomkeerbare stap naar een onzekere toekomst.Een onzekere toekomst, zeker voor de Landdagscomparanten, de afgevaardigden in de Gelderse Staten, die de zo ingrijpende verlatingsbesluiten hadden genomen. Tot in de zomer van 1581 waren de Statencolleges van de Noord- en Zuid- Nederlandse provinciën de gewestelijke vertegenwoordigers van standen en steden geweest ten overstaan van de regerende landsheer en van zijn gouvernement voor de Nederlanden te Brussel - de opstandige gewesten waaronder Gelderland, feitelijk nog slechts formeel. Met de 'Verlating' in juni en juli 1581 maakten de Staten van deze opstandige gewesten de keuze voorlopig als zelfstandige regeringscolleges verder te gaan, en zelf de soevereine macht uit te oefenen totdat zij een nieuwe landsheer gevonden zouden hebben.(1) Na vergeefse pogingen een nieuwe landsheer of -vrouwe te vinden in de personen van François hertog van Anjou, zijn broer,de Franse koning Hendrik III van Orléans en koningin Elisabeth I van Engeland, werd in 1588 het zoeken gestaakt en ging men verder met een staatsbestel zonder landsheer. De gewestelijke Staten vormden voortaan de nieuwe, collectieve soevereinen van de respectieve provinciën. Hun gezamenlijke delegaties in de Staten-Generaal bespraken en regelden de buitenlandse politiek en andere algemene zaken van het confederale staatsbestel als geheel, en de gewestelijke stadhouders fungeerden als hoogste ambtenaren en legeraanvoerders voor hun respectieve gewesten - functies die mettertijd steeds meer verenigd zouden worden in de personen van de opeenvolgende stadhouders uit het Oranjehuis.----------1. Voor het volgen van de 'Verlating' van Filips II door Gelderland in juni 1581 via de landdagsrecessen, zie o.a. zie http://www.geldersarchief.nl, Gids LR, regesten 049, 050 en 051 (1581); Gelders Archief (GldA), Archief van de Staten van het Kwartier van Nijmegen en hun Gedeputeerden (Kw.v.N.), bloknr. 0003, Landdagsrecessen (LR), inv.nr. 606, pp. 21-24. Vgl. P.A.M. Geurts en A.E.M. Janssen, ‘Gelderland van 1566-1609’, in: P. Meij e.a. (red.), Geschiedenis van Gelderland 1492-1795 (Zutphen 1975) 97-131, i.h.b. 109-124.p. 2 Binnen de afzonderlijke gewesten waren vanaf begin jaren 1580 uiteraard de nodige aanpassingen aan het nieuwe politieke bestel vereist. Dat verliep niet altijd even soepel, vooral niet in Gelderland, met zijn afwijkende bestuursstructuur. Vormde de Republiek een statenbond van acht grotendeels soevereine gewesten, Gelderland was met zijn vier en sinds 1648 drie Kwartieren een kleine statenbond op zich, waarin elk kwartier werd bestuurd door een kwartiersvergadering: een kleine, regionale Statenvergadering waarin een aantal als ‘riddermatig’ gequalificeerde jonkers en de vertegenwoordigers van een aantal steden uit het betreffende kwartier zitting hadden. De vier Kwartieren van Nijmegen, Zutphen, Veluwe en het Overkwartier regelden zoveel mogelijk zelf hun interne zaken. Ook tijdens de Landdagen vergaderden zij veelvuldig afzonderlijk, elk in een eigen vergaderkamer, waarna in de plenaire zittingen elk kwartier zijn standpunt naar voren bracht. Vervolgens werd er gestemd, of werd de betreffende kwestie in handen van een commissie gelegd, doorverwezen naar een andere instantie, of via langdurig beraadslagen en het veelvuldig verschuiven van de beslissing naar een volgende Landdag de zaak tot een goed einde gebracht - als men daar tenminste in slaagde. In die perioden, vaak van meerdere weken of maanden, waarin de Landdag niet bijeen was, werd het dagelijks bestuur over het gewest als geheel uitgeoefend door het belangrijkste rechtscollege van het gewest, het Hof van Gelre en Zutphen, en dat bleef zo tot 1795 toe. Dit was een unicum in de Republiek: in geen enkel ander gewest had het hoogste rechtscollege tevens een dergelijke bestuurlijke taak.(2) Het Graafschap Zutphen kende als enige kwartier naast ridderschap en steden nog een derde vertegenwoordigde stand, die van de bannerheren. Dit waren heren van enige in het Graafschap gelegen heerlijkheden die pretendeerden hun heerlijke rechten rechtstreeks van de Duitse keizer te hebben ontvangen en die daarom een speciale status opeisten, gelijk aan die van de graaf van Zutphen. Het betrof hier de heren van Bergh, Bronkhorst, Bahr en Wisch. In de loop van de jaren 1580 verdween de vertegenwoordiging van de bannerheren uit de Landdag ten gevolge van onderlinge strijd over de erfopvolging in hun heerlijkheden en een voorkeur voor de Spaanse zijde.(3) Voorts verdween bij de Vrede van Munster in 1648 definitief het Overkwartier, nadat reeds in de loop van 1586 de oorlogssituatie, met permanente bezetting van grote delen van dat kwartier door Spaanse troepen, de deelname van dit kwartier aan de Landdagen onmogelijk had gemaakt.(4) De Staten behielden vanaf eind jaren 1580 gedurende ruim 213 jaren de door het verdwijnen van de bannerheren en van het Overkwartier ontstane samenstelling uit de respectieve ridderschappen en stemhebbende steden van de Kwartieren van Nijmegen, Zutphen en Veluwe.(5)----------2. Drost, , Gelderse landdagsrecessen. Handelingen en resoluties van de Staten van Gelre en Zutphen, 7 delen, 1711-1780 (Arnhem 1997-2004) deel 1, VI-IX. Over mr. Drost en zijn arbeid, zie P. van Wissing, ‘Een heer neemt afscheid’, Arnhem de Genoeglijkste 25 (2005) 61-64. A.J Maris en H.L. Driessen, Het Archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), het Hof van Justitie (1795-1802) en het Departementaal Gerechtshof (1802-1811), deel 1, Inleiding (Arnhem 1978) 46-47. ); W. van de Pas, ‘Tussen centraal en lokaal gezag. De bestuurlijke organisatie van Gelre in transitie (1543-1581)’, in: H. de Schepper e.a. (red.), ’Tussen centraal en lokaal gezag’. Bestuurlijke organisatie en financieel beheer in Gelre en Holland tijdens de Habsburgse periode. Opstellen van Wil van de Pas (†), Werken Vereniging "Gelre" 58 (Hilversum 2004) 40-46. F. Keverling Buisman, ‘De bestuurlijke organisatie van het gewest Gelre (1543-1795/98)’, in: O. Moorman van Kappen, F. Scholten (red.), Van Hertogdom Gelre tot Provincie Gelderland. Hoofdstukken uit de geschiedenis van bestuur en bestuursinrichting van Gelderland, 1339-1989, Rechtshistorische Reeks van het Gerard Noodt Instituut 20 (Nijmegen 1990) 59-61.3. F. Keverling Buisman, ‘Adel en ridderschap in transitie: van landsheerlijke naar soevereine stand, 1543-1621’, in: C. Schimmelpenninck van der Oije e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland. Tien eeuwen geschiedenis (Arnhem/Zwolle 2013) 53-95, i.h.b. 53-55, 73-75.4. P.A.M. Geurts en A.E.M. Janssen, ‘Gelderland van 1566-1609’, in: P. Meij e.a. (red.), Geschiedenis van Gelderland 1492-1795 (Zutphen 1975) 125; Keverling Buisman, ‘Adel en ridderschap’, 72-73.5. Keverling Buisman, ‘De bestuurlijke organisatie’, 62-64. Drost, Gelderse landdagsrecessen, deel 1, V.p. 3 Deze drie kwartieren hadden hun interne bestuur al vroeg versterkt met Colleges van Gedeputeerde Staten, waarbinnen urgente zaken, vooral op fiscaal en militair gebied, in klein comité van doorgaans een zestal afgevaardigden konden worden afgehandeld. Grote voorganger was het Kwartier van Veluwe, waar op 5 oktober 1580 al zo'n College van Gedeputeerden werd benoemd; Zutphen en Nijmegen volgden enige jaren later, in 1592 respectievelijk 1593.(6) Op gewestelijk niveau ontbrak een College van Gedeputeerde Staten, immers fungeerde het Hof reeds als zodanig tijdens de lange intermezzo's tussen de Landdagen. Deze op het eerste gezicht harmonieuze tweedeling tussen Hof en Staten, met de Staten als uiteindelijk bepalende soeverein en het Hof als dagelijks bestuur, kon niet voorkomen dat de politieke spanningen tussen het Hof en de Staten of gedeelten van die Staten soms hoog opliepen. De Landdagsrecessen tonen ons een indringend beeld van deze spanningen en van harde kritiek die in de jaren 1580 klonk op het functioneren van de Landdag zelf, vooral op zijn ongeregelde werkwijze. Volgens stadhouder Jan graaf van Nassau was de Gelderse Landdag anno 1580 een vergadering waarin iedere afgevaardigde op een eigen, willekeurig tijdstip arriveerde, en allen door elkaar praatten zonder naar elkaar te luisteren, zodat behoorlijke besluitvorming onmogelijk was.(7) Geen wonder dat de graaf er datzelfde jaar de brui aan gaf als stadhouder en zich voorgoed in zijn Duitse erflanden terug trok.Soortgelijke verwijten vernam men uit de mond van een man die zich niet door dit alles liet ontmoedigen, maar integendeel een rots in de branding van de Gelderse politiek zou worden: dr. Elbertus Leoninus, afkomstig uit Zaltbommel, voormalig hoogleraar in de Rechten te Leuven, mede-ontwerper van de Pacificatie van Gent in 1576 en van juni 1581 tot en met 1598 kanselier van Gelderland. Op 12 maart 1583, bij de opening van de eerste Statenvergadering van dat jaar, hekelde Leoninus het gezichtsverlies dat de Landdag leed in de ogen van inwoners en vreemdelingen en het gebrek aan gezag over het eigen krijgsvolk, ten gevolge van de onderlinge verdeeldheid. Wantrouwen tussen de delegaties, individuele eerzucht en eigenbelang en het absenteïsme van veel comparanten maakten het onmogelijk de Spaanse vijand effectief het hoofd te bieden en de voor de Opstand noodzakelijke contributiegelden behoorlijk te innen en efficiënt te besteden.(8) Bij de opening van de laatste Landdag van 1583 op 26 november herhaalde Leoninus zijn kritiek en voegde daar nog een sneer aan toe over de ‘slappicheijt’ van de genomen besluiten.(9) Verzachtende omstandigheden ten aanzien van deze vernietigende kritieken zijn er evenwel ook: de Landdag zag zich voor de immense taak gesteld tezamen met de andere gewesten van de Unie van Utrecht een grotendeels nieuw staatsbestel op te bouwen te midden van een voortdurende oorlogssituatie die een chronisch geldtekort veroorzaakte. Vooral Gelderland werd van 1568 tot 1609 zwaar getroffen door Spaanse aanvallen en tegelijkertijd door het geweld van eigen, voortdurend onderbetaalde en dus continu plunderende troepen.----------6. Keverling Buisman, ‘De bestuurlijke organisatie’, 65-66. Zutphen: 27-28 februari 1592; Nijmegen: 7 augustus 1593.7. I.A. Nijhoff (ed.), ‘Jan graaf van Nassau, het stadhouderschap van Gelderland verlatende’, in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 2 (1840) 161-191, aldaar 172 noot 14. Vgl. M. van Gent, , ‘“Om trefliken saken den lande aengaende”. Landelijke bijeenkomsten in het hertogdom Gelre uit 1423-1584 in een databank’, in: Bijdragen en Mededelingen Gelre 94 (2003) 26-46, aldaar 26.8. Zie http://www.geldersarchief.nl, Gids LR, regest 017 (1583), i.h.b. Nota bene b.9. GldA, OAA, LR, inv. nr. 4694, fol. 460v.; http://www.Gelders Archief.nl, Gids LR, regest 212 (1583).p. 4In diezelfde jaren waren velen in Gelderland bovendien zoekende in religieus en politiek opzicht. Rigide scheidslijnen tussen een pro-Spaanse en katholieke gezindheid enerzijds en een Staats-calvinistische richting anderzijds bestonden nog slechts in beperkte mate. De gereformeerden vormden in tal van plaatsen een minderheid. Vele katholieken die hun oude geloof niet wilden opgeven, twijfelden tussen hun sympathie voor de Opstand en hun trouw aan de katholieke Spaanse landsheer, ook als zij zijn politiek afkeurden. Tot de religieus gematigden die de roomse danwel protestantse scherpslijperij vermeden maar uit politieke overtuiging voor de Opstand kozen, behoorde onder meer kanselier Leoninus.(10) Gezien de enorme problemen waarmee de Gelderse Staten in de jaren 1580 worstelden, slaagden zij er toch behoorlijk goed in om structurele verbeteringen aan te brengen in hun omslachtige regeringsbestel, zoals de Landdagsrecessen ons laten zien.Een nauwkeurige analyse van Maarten Gubbels toont aan, dat de onderlinge verhoudingen tussen de vier kwartieren en de relatie tussen de Landdag en het Hof ernstig te lijden hadden onder meningsverschillen over het te voeren krijgsbeleid en onder de herhaalde competentiegeschillen tussen Hof en Staten.(11) Leoninus’ filippica van maart 1583 moet daarom ook gezien worden tegen de achtergrond van het voorafgaande jaar, waarin het Kwartier van Nijmegen, ontevreden over het betalen en verplaatsen van plunderende soldatenbenden door het Hof, een aantal voorstellen indiende om de politieke en rechterlijke bevoegdheden van het Hof fors te beknotten, hierbij gesteund door het Overkwartier.(12) De omstreden voorstellen werden ingediend tijdens een door het Nijmeegse kwartier afgedwongen extra Statenvergadering op 4 tot en met 6 juli 1582, die evenwel werd geboycot door de steden en ridderschappen van de Kwartieren Zutphen en Veluwe.Echter, hoe ongelofelijk het ook moge klinken, juist tijdens deze gemankeerde Statenvergadering kaartte Nijmegen enkele structurele verbeteringen in het bestuurlijke bestel aan, die zowaar in de overigens lang niet malse protestbrieven van Zutphen en Veluwe met instemming werden begroet. Tot die voorstellen behoorde een betere controle van de Landdagsrecessen en zegeling met het stadszegel van de vergaderplaats, om fraude te voorkomen. Alle afgevaardigden dienden voortaan de avond vóór het begin van de Landdag aanwezig te zijn; bij iedere Landdag diende voortaan de propositie, de agenda van de voornaamste vergaderpunten in de plenaire zitting te worden voorgelezen, en om kosten te besparen zou een Landdag niet langer dan drie of vier dagen mogen duren. Dat kon men bereiken door een snellere besluitvorming, waartoe het nodig was dat alle edelen de vergadering persoonlijk zouden bijwonen en geen plaatsvervangers zouden stuurden, en dat alle afgevaardigden van de steden gemachtigd zouden worden zonder ruggespraak besluiten te nemen. In de daaropvolgende jaren ziet men dat deze bepalingen langzaam maar zeker ingang vonden en een positief effect sorteerden, duidelijk merkbaar aan de grotere daadkracht die de Landdag vooral in 1584 vertoonde.----------10. A.E.M. Janssen, ‘Elbertus Leoninus 1519/1520-1598. Rechtsgeleerde en Gelders kanselier’, in: J. Kuys e.a. (red.), Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 2 (Hilversum 2000) 58-62.11. M. Gubbels, ‘Sonder regard toe nemen op oere privaet saecken...’ Why the Estates of Guelders did not develop a standing committee in the late sixteenth century (ongepubliceerde doctoraalscriptie, Arnhem/Utrecht 2009) 93-134.12. Gubbels, ‘Sonder regard toe nemen’, 93-134. R.J. Kolman, De reductie van Nijmegen (1591). Voor- en naspel (Groningen/Djakarta 1952) en M.J.M. Hageman, ‘De Reductie van Nijmegen (1591)’, in: Numaga 38 (1991) 45-67.p. 5Overigens was reeds op 30 oktober 1581 besloten tot invoering van vaste vergadertijden, die op 8 juli 1583 aanzienlijk werden uitgebreid van vijf naar acht uren per dag. Ook de boete voor te laat komen werd verbeterd: vanaf genoemde datum werd dit zes stuivers ten bate van de armen van de hoofdstad waar men vergaderde. Voordien was de boete één kan wijn, voor de vergadering zelf, zodat de nieuwe boete heel wat beter was besteed en de Landdag wellicht ordelijker maar wat minder vrolijk verliep. Belangrijk was een in maart 1583 ingevoerde vaste reiskostenvergoeding voor afgevaardigden naar de Staten-Generaal en andere Generaliteitsorganen, en in december van dat jaar werd zelfs een effectieve steekproef naar het inderdaad nog ernstige absenteïsme uitgevoerd.De jaren 1583 en 1584 zagen bovendien twee organisatorische verbeteringen die kenmerkend zouden blijven voor de volgende twee eeuwen Gelderse Statenvergaderingen. De eerste betrof het benoemen van twee afgevaardigden tot het opnemen van de stemmen en, zoals men het uitdrukte, het "dirigieren" van de vergadering, op 26 november 1583. Hier verschenen voor het eerst twee van de latere drie 'directeuren van de Landdag', de vaste woordvoerders, één voor elk kwartier, die in de 17e en 18e eeuw in de plenaire zittingen de standpunten van hun respectieve kwartieren ter tafel brachten. Aan die tafel, letterlijk en figuurlijk de Landschapstafel, vergaderde tijdens die latere eeuwen telkens een kerngroep van achttien afgevaardigden, zes per kwartier, die uit de standpunten der drie kwartieren de gezamenlijke eindbesluiten distilleerden, elke kwartiersdelegatie onder leiding van zijn eigen 'directeur'. Deze kwartierlijke delegaties rond de Landschapstafel droegen de benaming 'gecommitteerden ad causas'. In 1583-1584, tijdens de moeizame besprekingen over de relatie tot de hertog van Anjou en over hernieuwde voorwaarden voor zijn aanvaarding als landsheer, verschenen voor eerst ook deze 'gecomitteerden ad causas' ten tonele. Ze ontstonden in feite op 7 december 1583, als één van de talrijke commissies ter afhandeling van specifieke vraagstukken, in dit geval betreffende een nieuw op te richten Raad van State met aan het hoofd Anjou. Nadat dit comité er ondanks een duidelijk sturende rol tijdens de bewuste Landdag niet in slaagde alle afgevaardigden op één lijn te krijgen, richtte men een nieuwe commissie van 'Gedeputierden tot verenigongh der verscheydene Stemmen' op: een commissie die precies zoals de latere Landschapstafel in klein comité uit de verschillende standpunten van de kwartieren een eindconclusie moest formeren. Dat dit comité pas werd ingesteld op 15 mei 1584, bijna een half jaar na december 1583, getuigt van de trage besluitvorming en meer nog van het onderlinge gekrakeel dat in die tussentijd de Landdagen toch nog ontsierde. Maar de commissie kwam er en kweet zich goed van zijn sturende taak binnen de Landdag, uiteraard totdat een drietal weken later het overlijden van Anjou roet in het eten gooide. Als 'directeuren' van de twee Landdagen van eind 1583 en van mei 1584 werden, geheel in de lijn van wat de twee volgende eeuwen zouden laten zien, ambtelijke zwaargewichten benoemd: voor de vergadering van november en december 1583 waren dat Carel van Gelre, landrentmeester-generaal van Gelderland en daarmee de hoogste financiële ambtenaar van het gewest, en Gerard van Oyen, burggraaf van Nijmegen; voor de mei-vergadering van 1584 Geerlich van der Capellen en Gerhardt Voeth, beiden raadsheren in het Hof van Gelre. In de 17e en 18e eeuw vestigde zich de traditie dat het directoraat van elk kwartier toeviel aan de hoogste kwartierlijke ambtenaar, te weten de landdrost van Zutphen, de landdrost van Veluwe en de burggraaf van Nijmegen. De burggraaf werd daarbij als de belangrijkste beschouwd en gold als voorzitter van de Landdag als geheel.p. 6In mijn artikel over deze zaken, een voorlopig onderzoek slechts in kort bestek, heb ik niet alles rond deze bestuurlijke vernieuwingen kunnen verwoorden. Tot de onvermijdelijke omissies behoort een intrigerende zinsnede uit het Landdagsreces van 13 september 1584, namelijk dat men enkele afgevaardigden tot directie van de Landdag heeft benoemd "by gebreck van Bannerheer[en]".Een terloopse uitspraak, maar één die nader onderzoek rechtvaardigt, te meer omdat de bannerheren inmiddels politiek geheel buiten beeld geraakt waren; niet op de laatste plaats doordat de bannerheer en stadhouder Willem IV graaf van den Bergh op 5 november 1583 door Leoninus en het Hof was gearresteerd wegens geheime verstandhouding met de Spaanse vijand.Gezien de hierboven reeds geschetste politieke spanningen tussen Hof en Landdag is het niet verwonderlijk dat de overige verenigde gewesten weinig vertrouwen koesterden in de bestuurlijke constellatie van hun bondgenoot. Voor hen was het voornaamste bezwaar tegen die constellatie het ontbreken van een Gelders College van Gedeputeerde Staten, een vast dagelijks bestuur zoals in de meeste andere gewesten gebruikelijk was. Onder zware druk vanuit de Generaliteit besloot de Landdag op 2 juli 1582 inderdaad tot oprichting van zo'n college. Uiteindelijk werd het op 28 maart 1583 ingesteld en bemand. Zoals Frank Keverling Buisman heeft vastgesteld, is dit college werkzaam geweest van Pasen 1583, te weten 31 maart, tot omstreeks Pasen 1584. Over de werkzaamheden van het college was tot voor kort niets bekend. In de Landdagsrecessen uit het stadsexemplaar van de stad Arnhem, inv. nr. 4695, heb ik echter, naast een bijzondere Nijmeegs-Veluws-Tielse Statenbijeenkomst en vier Landdagen, een reces aangetroffen van een vergadering van dit College van Gedeputeerde Staten; het enige tot op heden bekende reces van zo'n Gelders college vóór 1815. Het lag in de bedoeling tegen Pasen 1584, 19 april, een nieuw college te benoemen in het vooruitzicht dat op die datum het oude zou aftreden. Aangezien de Landdag die dat zou moeten regelen, begonnen op 14 april, reeds op de eerste dag in onenigheid uiteenviel, improviseerde men inderhaast het betreffende College van Gedeputeerde Staten, dat op 17 en 18 april in de bewuste vergadering bijeenkwam. De werkzaamheid van het college spitste zich toe op het nemen van verdedigingsmaatregelen tegen een verwachte Spaanse aanval vanuit Overijssel en het vlot trekken van de gestrande Landdag. Dat laatste deed het college met succes. Het pakte voortvarend alle pijnpunten aan die de Landdag had laten liggen: de benoeming van Adolf graaf van Nieuwenaar tot nieuwe stadhouder, het opstellen van een goede instructie voor hem, uitvoerige adviezen inzake de relatie tot Anjou, de bevoegdheden van de nieuwe Raad van State, de invoering van de Generale Middelen, en een degelijk advies inzake de oorlogslasten en de benodigde betalingen voor het krijgsvolk.p. 7 Tussen 18 en 21 april liep de na ingrijpen van Gedeputeerde Staten hervatte Landdag toch nog stuk op de heersende meningsverschillen. Om verdere moeilijkheden te vermijden adviseerden Gedeputeerde Staten de Landdag niet in één der hoofdsteden voort te zetten maar op neutrale bodem te Wageningen, wat inderdaad ook gebeurde. Op de zeer voorspoedig verlopen Landdagen van mei 1584 te Wageningen en van september 1584 te Arnhem plukte men volop de vruchten van het voorbereidende werk van het College van Gedeputeerde Staten. Daarna ging het college echter als een nachtkaars uit. Het machtige maar bovendien ook deskundige Hof zou zijn functie als dagelijks bestuur nog ruim twee eeuwen uitoefenen, en in Adolf van Nieuwenaar kreeg men nog in 1584 een energieke en voortvarend optredende stadhouder met een goed inzicht in de onderlinge Gelderse verhoudingen. De noodzaak van een College van Gedeputeerde Staten werd niet langer als urgent ervaren. In 1585, 1602 en de jaren 1609-1612 zouden nog enkele mislukte heroprichtingspogingen ondernomen worden. Op 16 april 1644 werd nog wel het zogeheten Gecombineerd College gevormd, een overleg van afgevaardigden dat zich voornamelijk bezig moest houden met de verdeling over de kwartieren van de quoten die Gelderland maandelijks moest betalen aan de Generaliteit. Tot oprichting van een Gelders College van Gedeputeerde Staten is het tot het jaar 1815 nooit meer gekomen.Intussen heeft dit beperkte, voorlopige onderzoek laten zien wat er nu reeds mogelijk is met het nauwelijks half voltooide Project Landdagsrecessen. Ook het nog onvoltooide Ambtenarenproject, de digitale opgave van ruim 2200 Gelderse gewestelijke ambtenaren over de periode 1543-1795, draagt grote mogelijkheden in zich, zowel wetenschappelijk als wat betreft informatie voor een breder publiek. Onze beide Gelderse onderzoeksprojecten zijn in meerdere opzichten uniek: geen enkele provincie in Nederland, Duitsland of België heeft twee zodanige grootschalige, gedetailleerde en kwalitatief hoogwaardige digitale onderzoeksprojecten. Wetenschappelijk gezien loopt Gelderland met deze twee projecten minstens vijftien jaren vóór op de ons omringende provincies. De beide onderzoeksprojecten sluiten daarnaast uitstekend aan op twee andere digitale projecten, het Project Landdagen en andere landelijke bijeenkomsten 1423-1584 en het Project Ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861 van het Huygens-Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, die beide echter aanzienlijk beperkter zijn qua inhoud. Bovendien bestrijken beide projecten de nu Duitse en Limburgse delen van het voormalige Overkwartier, tegenwoordig opnieuw herenigd in het economische en culturele samenwerkingsverband van de Euregio Rijn-Maas Noord. Beide projecten lenen zich uitstekend voor interregionale en Euregionale financiering en uitbreiding, zowel in ruimte als in tijd. Ik heb hiertoe de beide projecten gecombineerd en uitgebreid met de Kleefs-Gelderse personele unie van 1538-1543 en met de 19e eeuw, tot en met de jaren 1870-1872, dat wil zeggen de twee eerste vormingsjaren van het moderne, verenigde Duitse Rijk en voor Nederland het laatste kabinet-Thorbecke èn 's mans overlijden in 1872; het geheel onder de titel Project Statenvergaderingen, Ambtenaren en ambtsdragers 1538 - 1872. Een onderzoeksproject in zes keuzeprogramma's, dat uitvoerbaar is in keuzeonderdelen al naar gelang er financiële mogelijkheden worden gevonden. Dit gecombineerde project is uitgewerkt binnen de Stichting Fenix, door mw. drs. Aafje Groustra en mijzelf in 2010 opgericht ter bevordering van werkgelegenheid in de humaniora en van langlopend, fundamenteel onderzoek en daarop gebaseerd onderwijs.Wij vragen U bij deze alle mogelijke steun bij het vinden van financiering en voortzetting van deze projecten. Zulke projecten die nieuwe wetenschappelijke inzichten verschaffen, zijn meer dan ooit nodig binnen het brede kader van het tegenwoordig al te vaak verwaarloosde langlopende, fundamentele onderzoek in de humaniora. Immers, juist de humaniora, die inmiddels al ruim dertig jaren onafgebroken onder vuur liggen, geven tezamen vorm aan het collectieve geheugen en het ethische en kritische denkvermogen van onze maatschappij, en blijven daardoor onmisbaar voor de opbouw en het onderhoud van een stabiele, democratische samenleving.Dank voor Uw aandacht.