Om alle inhoud te kunnen zien hebt u de actuele versie van Adobe Flash Player nodig.

Start Over ons Verklaring Statuten Reglement Werk / werkgelegenheid Een intellectuele en maatschappelijke ramp Kantelend de Waal in ? Actieplan werkgelegenheid humaniora Proeve van een academisch arbeidsmodel Cijfers academische werkgelegenheid 1990 - 2014 Publicaties Arnhemse Courant 1811 - 1888 Satire in ballingschap. De Gedenkschriften van Martinus Scriblerus, 1714 - 1741 - 1791 / '92 Johan graaf van Welderen, 1711-1724 Om de staat van Staten Publicatielijst Contact Samenwerking Werkgroep HistorieRijkNijmegen 

Satire in ballingschap. De Gedenkschriften van Martinus Scriblerus, 1714 - 1741 - 1791 / '92

Satire in ballingschap: de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen (1791-1792)

Gedurende de jaren 1787-1794 vormden enkele duizenden uit de Republiek verdreven patriotten vluchtelingengemeenschappen in Noord-Frankrijk, waar zij onder meer een bloeiende literaire activiteit ontplooiden. Een van hun nagelaten geschriften is een zeldzaam satirisch periodiek, dat in nauw verband staat met enkele van de befaamdste auteurs uit de Engelse literatuur, en dat ons een inkijkje geeft in de ideeënwereld van de Nederlandse ballingen. Deze bijdrage is hier weergegeven in de oorspronkelijke, uitgebreide versie.‘I need not to tell you, sir, that there are several authors in France, Germany, and Holland, as well as in our own country, who publish every month, what they call, An Account of the Works of the Learned, in which they give us an abstract of all such books as are printed in any part of Europe. Now, sir, it is my design to publish every month, An Account of the Works of the Unlearned. Several late productions of my own countrymen, who many of them make a very eminent figure in the illiterate world, encourage me in this undertaking.’(1) Met deze woorden begon een anonieme brief in nummer 457 van het Engelse moralistische weekblad The Spectator, verschenen te Londen op 14 augustus 1712. The Spectator, uitgegeven in de jaren 1711-1712 door Joseph Addison en Richard Steele, zou tezamen met twee soortgelijke bladen van dezelfde auteurs de toon zetten voor een golf van spectators, moralistische weekbladen die Europa de gehele achttiende eeuw door zouden blijven overspoelen en die ook in Nederland onder de geletterde burgerij bijzonder populair zouden worden.(2) De anonieme brief in kwestie wees evenwel in de richting van een heel ander genre, dat van de satirische literatuur, waarover enkele bekende Britse schrijvers rond deze tijd van gedachten wisselden, en niet toevallig: de periode 1660-1750 geldt als de gouden eeuw van de Engelstalige satire.(3) De brief bereikte, wellicht nog vóór zijn publicatie in The Spectator, twee zeer geïnteresseerde lezers op Windsor Castle, beiden bekend met de identiteit van de anonieme auteur. Dr. John Arbuthnot (1667-1735), bekend wis- en natuurkundige en op het kasteel aanwezig als lijfarts van koningin Anne Stuart, en zijn vriend en logé Jonathan Swift (1667-1745), afkomstig uit een Engels-Ierse familie, vooraanstaand literator en anglicaans geestelijke, lazen met instemming het schrijven van hun beider kennis, Alexander Pope (1688-1744), waarin deze aankondigde in samenwerking met andere belangstellenden een reeks satires te willen schrijven op de pedanterie en gewichtigdoenerij in de geleerde wereld van die tijd. De jeugdige Pope had het als katholiek zwaar in Engeland vanwege de strenge, in economisch opzicht zeer beperkende anti-katholieke wetgeving, ingevoerd sinds de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje, gehuwd met de Schotse prinses Mary Stuart, met de ‘Glorious Revolution’ van 1688 zijn katholieke schoonvader koning Jacobus II van de troon gestoten had en in 1690 tot koning van Engeland, Schotland en Ierland was gekroond. Pope vond echter een warm welkom bij zijn twee oudere literaire geestverwanten. Hij zou spoedig naam en zelfs fortuin maken als Homerus-vertaler, uitgever van een nieuwe Shakespeare-editie en literatuur- en toneelcriticus, en een reputatie opbouwen als de beste Engelse dichter van zijn tijd.(4)----------1. G. Sherburn, The Early Career of Alexander Pope (Chicago 1934 / Oxford 1968) 74.2. Voor de spectator als literair genre in Nederland, zie de diverse bijdragen in P. Buijnsters, Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw (Utrecht 1984).3. B. Hammond, Pope amongst the satirists 1660-1750 (Horndon 2005) 1.4. Voor Pope, zie o.a. Sherburn, a.w., 30-82 en Hammond, a.w., 30-61; voor Arbuthnot, zie G. Aitken, The Life and Works of John Arbuthnot (Oxford 1892) 1-167.p. 2Popes voorstel sloeg onmiddellijk aan bij de twee vrienden, te meer omdat ook zij, onafhankelijk van elkaar, reeds een tijdje ongeveer hetzelfde idee koesterden. Via Pope leerden de vrienden een vierde toekomstige ‘Scriblerian’ kennen, de jonge dichter en toneelschrijver John Gay (1685-1732), die evenals Pope zelf nog volop zoekende was naar connecties en literaire erkenning. Bij dit gezelschap voegde zich nog een getalenteerd dichter, Thomas Parnell (1679-1718), net als Swift een Ier van Engelse afkomst en anglicaans predikant. De man die de Scriblerus-club voltallig zou maken was niemand minder dan Robert Harley graaf van Oxford (1661-1724), Lord Treasurer (minister van Financiën, tevens eerste minister) en leider van het regerende kabinet. De aanwezigheid van deze hoge edelman, politicus en goed onderlegde kenner en verzamelaar van oude boeken en handschriften verleende uiteraard een extra dimensie aan de Scriblerus-Club.(5) De arbeid van de Scriblerus-Club, met als kernjaar 1714, resulteerde uiteindelijk in een satirisch werk getiteld Memoirs of the Extraordinary Life, Works and Discoveries of Martinus Scriblerus.(6) Deze Memoirs vormden het voorbeeld voor het werk dat wij hieronder nader aan de orde zullen stellen: de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen, uitgegeeven door de schryvers van den Post van den Nederrhyn.De oorspronkelijke Memoirs werden pas in 1741 door Pope uitgegeven. De vrienden hadden slechts met grote onderbrekingen kunnen samenwerken, want ten gevolge van de dood van Queen Anne en de val van het ministerie-Oxford in augustus 1714 werden zij nog datzelfde jaar van elkaar gescheiden, en in de twintig daaropvolgende jaren overleden Parnell, Oxford, Gay en Arbuthnot.(7) De Scriblerus-documenten kwamen tenslotte in handen van Alexander Pope. Aangezien hij vreesde dat de Memoirs, klein in omvang voor een werk waaraan vijf van Engelands beste literatoren twee decennia hadden gearbeid, zware kritiek zouden krijgen, besloot Pope het werkje uit te geven tezamen met zijn correspondentie met Swift. Dit gebeurde tenslotte in 1741: de Memoirs of the Extraordinary Life, Works and Discoveries of Martinus Scriblerus verschenen dat jaar, tezamen met genoemde correspondentie, in het tweede deel van The Works of Mr. Alexander Pope, in Prose. Niet alle teksten die bedoeld waren geweest als onderdeel van de Scriblerus-satire hebben daarin ook daadwerkelijk een plaats gekregen. Kort voor zijn overlijden in 1744 beval Pope de vernietiging van een hoeveelheid documenten, waaronder ook een aantal stukken, bestemd voor de Memoirs of voor een vervolg daarop, en aangezien hij hiervan geen titellijst opstelde, kunnen we nog slechts gissen naar hun inhoud.(8)----------5. Sherburn, a.w., 71. Memoirs of the Extraordinary Life, Works and Discoveries of Martinus Scriblerus, ed. Ch. Kerby-Miller (New York / Oxford 1985) 12-14, 17, 24-26. 6. Sherburn, a.w., 75-78. Kerby-Miller, a.w., 14 -17.7. Kerby-Miller, a.w., 39-56.8. Kerby-Miller, a.w., 61-65.p. 3De Memoirs: inhoud, receptie en navolgingenHet eerste wat de lezer van de Memoirs opvalt, is de raadselachtige naamgeving van de hoofdpersoon. De voornaam Martinus was ontleend aan een komedie, geschreven in 1667 door de destijds gevierde toneelschrijver, criticus en dichter John Dryden (1631-1700). In dit stuk, getiteld Sir Martin Mar-All, laat de gelijknamige hoofdfiguur al wat op zijn weg komt in het honderd lopen. Deze Sir Martin, niet alleen bij het Engelse theaterpubliek welbekend maar eind zeventiende eeuw zelfs spreekwoordelijk voor het type van de komische brokkenmaker, leende zijn voornaam aan zijn geleerde tegenhanger Scriblerus. Scriblerus was, zoals Pope verklaarde, geen man zonder begaafdheid. Integendeel, hij had zich bekwaamd in elke tak van kunst en wetenschap, maar miste het gezonde oordeel om van zijn kennis een juist gebruik te kunnen maken. Door zijn wereldvreemdheid en door de verwarde brij die alle opgedane geleerdheid in zijn geest had gevormd, was en bleef Scriblerus ondanks zijn talloze geschriften een ‘scribbler’, een krabbelaar van waardeloze schrijfsels. De keuze voor een hoofdpersoon die zich een groot en universeel geleerde waande, maakte het de Scriblerians mogelijk ieder geschrift en elke auteur of wetenschapper op de hak te nemen via parodiërende verwijzingen naar een of andere fictieve pennevrucht van Scriblerus. Deze keuze bood de zes vrienden dus alle ruimte voor hun satire, die zowel vermakelijk als nuttig moest zijn. De regering van Queen Anne (1702-1714) betekende een periode van relatieve rust, waarin men een begin kon maken met het overzien en verwerken van de voor Engeland zeer turbulente zeventiende eeuw, met zijn politieke en godsdienstige twisten, de opkomende Verlichte denkbeelden over sociale en politieke verhoudingen en het ontstaan van een nieuwe natuurwetenschap. De scribleriaanse satire zou dat verwerkingsproces moeten bevorderen, door heersende dwaasheden in wetenschap en samenleving aan de kaak te stellen.(9) De Memoirs waren samengesteld uit een inleiding en zestien hoofdstukken.(10) De inleiding begon met de toevallige ontmoeting tussen Scriblerus en de fictieve uitgever van het geschrift; een ontmoeting die, allerminst toevallig, plaatsvond nabij St. James’ Palace, favoriete ontmoetingsplek van de Scriblerians, en tijdens de regering van Queen Anne. De lange en statige, maar uitgemergelde, melancholieke, in somber zwart geklede en van een lange degen voorziene Martinus Scriblerus deed de uitgever bij deze ontmoeting meteen denken aan ‘a decay’d Gentleman from Spain’; om niet te zeggen aan Don Quichote, zoals verderop in de Memoirs Scriblerus’ dienaar Conradus Crambe onmiddellijk de gelijkenis met Sancho Panza oproept.(11) De hoofdstukken één tot en met acht vormen voorts een relaas van Martinus Scriblerus’ afkomst, geboorte en opvoeding en met name van de bizarre pedagogische kunstgrepen van Martinus’niet minder excentrieke en waanwijze vader Cornelius Scriblerus, die voor elke stap in die opvoeding de klassieken meent te moeten raadplegen, maar evengoed ook het werk van middeleeuwse waarzeggers en charlatans. Cornelius brengt zijn zoontje tal van vaardigheden uit de Oudheid bij, zoals, naar Spartaans gebruik, het stiekem en behendig stelen, ‘wherein [Martinus] succeeded so well, that he practised it to the day of his death’.(12) Als jongeling wordt Martinus in de hoofdstukken zes tot en met acht in dezelfde trant ‘onderwezen’ in tal van wetenschappen, waarbij de anatomische les uitloopt op een groteske poging om het lijk van een terechtgestelde misdadiger het appartement van de Scriblerii binnen te smokkelen.(13) In hoofdstuk negen zijn we getuige van Martinus’ ontwikkeling tot een groot criticus, met als voornaamste eigenschap het talent ‘to convert every Trifle into a serious thing, either in the way of Life, or in Learning’.(14) Het tiende hoofdstuk, over Scriblerus’ medische experimenten, is ongetwijfeld geschreven door de medicus Arbuthnot: de enige Scriblerian die over voldoende medische kennis beschikte.(15) In hoofdstuk elf worden de vleierijen aan het koninklijk hof en de eigenliefde en arrogantie van hovelingen gehekeld, als Martinus een jonge edelman daarvan tracht te bevrijden, en in hoofdstuk twaalf onderzoekt hij op welke plek in het lichaam de ziel huist en correspondeert hij met een genootschap vrijdenkers.(16)----------9. Kerby-Miller, a.w., 29-36.10. Zie Kerby-Miller, a.w., 80, 85.11. Kerby-Miller, a.w., 30, 91-94.12. Kerby-Miller, a.w., 95-111.13. Kerby-Miller, a.w., 112-128.14.14. Kerby-Miller, a.w., 129. 15. Kerby-Miller, a.w., 130-133; 272.16. Voor hoofdstuk 11, zie Kerby-Miller, a.w., 134-136; voor hoofdstuk 12, 137-142. p. 4 Op dit twaalfde hoofdstuk volgen de nummers veertien en vijftien: het ongeluksnummer dertien is opzettelijk overgeslagen. In deze twee hoofdstukken waagt Martinus zich op het pad van de liefde. In een Londense achterbuurt wordt hij als bezoeker van een theatertje waar een kermisbaas mismaakte mensen en exotische dieren tentoonstelt, verliefd op de helft van een siamese tweeling, bestaande uit twee beeldschone dames met twee bovenlichamen maar slechts één onderlichaam. Dit leidt tot allerlei dwaze verwikkelingen, culminerend in een rechtszaak over concubinaat, verkrachting en overspel. Seksuele lusten vormen in deze hoofdstukken de vaste ondertoon, zoals in de passage waar Scriblerus een mensaap doodt die zich aan zijn geliefde wil vergrijpen, waarna zij zich dankbaar ‘with open arms and legs’ op haar redder stort.(17) Hoofdstuk zestien vormt grotendeels een korte opgave van ’s mans verre reizen; bijvoorbeeld zijn ontdekkingsreis op zoek naar overblijfselen van een verdwenen Pygmeïsch Keizerrijk.(18) Het laatste, zeventiende hoofdstuk bevat hoofdzakelijk een satirische boekenlijst met Scriblerus’ nagelaten geschriften, waarbij soms krachtig wordt uitgehaald naar eigentijdse politici en auteurs. Fantasieprojecten, zoals een verhandeling over het koloniseren van de maan en de superioriteit van aardbewoners ten opzichte van maanmannetjes, zijn in ruime mate aanwezig. Het werk heeft een open einde, met Martinus’vertrek naar het buitenland.(19) Popes werken, inclusief de complete Memoirs, oogstten meteen veel succes, getuige de zes uitgaven die alleen al in 1741 en 1742 het licht zagen. In vele latere, ook negentiende-eeuwse heruitgaven zijn echter de hoofdstukken veertien en vijftien vanwege hun scabreuze karakter weggelaten.(20) Het werk trok van meet af aan ook in de Republiek de aandacht van het geletterde publiek. In 1754 verscheen bij de Amsterdamse uitgever Pieter Meyer een Nederlandse vertaling. Zoals blijkt uit het onderzoek van F. Jagtenberg naar de receptie van het werk van Swift in Nederland, refereerden verscheidene Nederlandse literaire periodieken en spectators aan de Memoirs of aan de naam Scriblerus, soms gekoppeld aan andere werken van Swift of Pope: De Pedagoog in 1765, De Philosooph in 1767, De Vaderlander in 1775, de Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oefeningen in 1776, De Recensent in 1787, De Post van den Helicon in 1788, De Vraag-al in 1791, 1792 en 1795 en De Wereld-beschouwer in 1795. Over het algemeen werden Scriblerus’ Memoirs in deze bladen gunstig beoordeeld. Ook verscheidene bekende Nederlandse literatoren noemen de fictieve geleerde of zijn zogenaamde werk, onder wie Betje Wolff, die Swifts satire te honend en te bitter vond, en de gereformeerde, later remonstrantse predikant, tijdschriftredacteur en Kantiaans denker en publicist Paulus van Hemert. Een uitval van laatstgenoemde tegen het werk van de Utrechtse gereformeerde en patriotsgezinde predikant Ysbrand van Hamelsveld toont, aldus Jagtenberg, dat ook in de Republiek de naam ‘Scriblerus’ inmiddels een geliefd synoniem voor ‘prulschrijver’ was geworden.(21) De werkzaamheden van de Scriblerus-Club in relatie tot de Memoirs vormden de basis voor tenminste een drietal door anderen geschreven satires. Merkwaardig genoeg verscheen de vroegste van deze vóór de publicatie van de Memoirs, in 1723. Dit werkje, gedrukt bij A. Moore te Londen, is getiteld Memoirs of the Life of Scriblerus. Blijkens de titelpagina zou het geschreven zijn door ‘D. S — t’ (Dr. Swift) en oorspronkelijk te Dublin gepubliceerd. Hoewel de herkomst van het werkje nog altijd een raadsel is, blijkt uit onderzoek van Kerby-Miller dat het kwalitatief en inhoudelijk te veel verschilt van Swifts werk om door hem geschreven te kunnen zijn. Waarschijnlijk betreft het materiaal, door de Scriblerus-auteurs afgedankt, dat bij toeval in handen van een of andere broodschrijver is gekomen en door deze tot een eigen versie is omgewerkt. Hierop wijst ook de drukker Augustin Moore, hoofdzakelijk bekend als uitgever van goedkope pamfletten en ander werk van dergelijke ‘hack-writers’.(22)----------17. Voor hoofdstuk 14, zie Kerby-Miller, a.w., 143-153; voor hoofdstuk 15, 154-163.18. Kerby-Miller, a.w., 164-165.19. Kerby-Miller, a.w., 166-170.20. Voor een opgave van de belangrijkste uitgaven van de Memoirs, zie Kerby-Miller, a.w., 78-84.21. F. Jagtenberg, Jonathan Swift in Nederland (1700-1800) (Deventer 1989) 77, 82, 176-178, 203 noten 488 en 490. Voor de heruitgave van de vertaling van 1754, zie John Arbuthnot e.a., Herinneringen aan het buitengewone leven, werken en ontdekkingen van Martinus Scriblerus, ed. A. Jongstra (Amsterdam 1996).22. Zie voor deze tekst uit 1723 en de analyse Kerby-Miller, a.w., 374 -385. Vgl Sherburn, a.w., 81, die de vermoedens van Kerby-Miller deelt.p. 5Interessant voor ons onderzoek is vooral het gegeven dat er twee Nederlandse werken bestonden, gerelateerd aan de Memoirs van Martinus Scriblerus. Een daarvan was een pamflet getiteld Historie der vreemde en tot nog toe onbeschrevene ziekte oikomania, die sedert wynige jaaren, inzonderheid te Amsterdam, heeft beginnen te grasseeren, dagelyks hand over hand toeneemt, en veelen elendig wegsleept. Uit veelvuldige waarneemingen opgemaakt en in ’t licht gegeven door Martinus Scriblerus Secundus. De tweede druk van dit werkje wordt voorafgegaan door een brief van de fictieve auteur aan zijn lezers, gedateerd 16 februari 1765, en zogenaamd verzonden ‘Ex musaeo Scribleriano’. Het geschriftje bevatte een satirische aanklacht tegen de ook rond 1765 al gesignaleerde graaicultuur. Het richtte zich met name tegen de ‘oikomania’ ofwel huizengekte, waarmee het onmatig opdrijven van de huurprijzen van woningen werd bedoeld, maar ook tegen onverantwoorde beleggingen in het buitenland en tegen hebzucht in het algemeen.(23) De tweede Nederlandse navolging werd gevormd door de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen, uitgegeven bij Van Schelle en Compagnons te Duinkerken. Het betrof hier een maandblad, waarvan evenwel slechts drie nummers met zekerheid zijn verschenen, twee in 1791 en één in 1792, en dat dus geen succes was. Desalniettemin kan een vergelijking tussen deze Gedenkschriften en de oorspronkelijke Memoirs interessante gegevens opleveren; onder meer een antwoord op de vraag in hoeverre de navolging uit 1791-’92 het origineel qua stijl en inhoud daadwerkelijk volgde. Daarvoor is het op de eerste plaats nodig te weten wie de auteur was van de Gedenkschriften en onder welke omstandigheden deze tot stand kwamen. De titelwoorden ‘uitgegeeven door de schryvers van den Post van den Nederrhyn’ wijzen in de richting van de patriotse journalist Pieter ’t Hoen, die rond deze tijd bij Van Schelle & Comp. werkzaam was, en bij hem begint derhalve onze analyse van dit merkwaardige, in vergetelheid geraakte satirische tijdschrift. Pieter ’t Hoen (1744 – 1828) (24)Pieter ’t Hoen werd op 18 oktober 1744 te Utrecht gedoopt, als zoon van een welgesteld kruidenier. Na een vrij roerige jeugd die in 1761 zelfs tot tijdelijke opsluiting in een verbeterhuis leidde, huwde hij op 17 april 1763 Johanna Maria Nihot, dochter van een koopman te Leiden. Eind maart 1777 wist hij het ambt van beheerder en rentmeester van het Collegium Willebrordi te verkrijgen, een aan de Latijnse school van Utrecht verbonden internaat voor scholieren uit arme gezinnen. ’t Hoen poogde in de jaren 1770 door zelfstudie zijn mislukte schoolcarrière goed te maken. Hij begaf zich in literaire kringen, richtte met enkele vrienden een dichtgenootschap op en ontwikkelde zich tot een niet onverdienstelijk dichter en toneelschrijver. Vooral zijn kindergedichten, in navolging van Hiëronymus van Alphen, oogstten succes.(25)----------23. Universiteit van Amsterdam, Bijzondere Collecties, signatuur OTM Pfl. Qd1, Historie der…ziekte oikomania (Amsterdam 1765) brief (twee ongenummerde pp.) en pp.1-23. Vgl. L.D. Petit (red.), Bibliotheek van Nederlandsche Pamfletten. Verzamelingen van de bibliotheek der Rijks-Universiteit te Leiden (Den Haag / Leiden 1882-1934), 4 dln., dl. 3, 148, nr. 6907. 24. Over 't Hoen, zie P. Theeuwen, Pieter 't Hoen en De Post van den Neder-Rhijn. Een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw (Hilversum 2002). Zie voor een levensschets van ’t Hoen ook P. Theeuwen, ‘Van patriotse idealen tot Bataafse praktijk. Twee ‘Posten van de Neder- Rhijn’, 1781-1787 – 1795-1799’, in: Pieter van Wissing (red.), Stookschriften. Pers en politiek tussen 1780 en 1800 (Nijmegen 2008) 231-233, 238-239, 241.25. Theeuwen, Pieter ’t Hoen (Hilversum 2002) 77-98.p. 6 Bezorgd over het uitbreken van de Vierde Engelse Zeeoorlog, eind 1780, begon ’t Hoen zijn politiek periodiek De Post van den Neder-Rhijn, uitgegeven te Utrecht bij G.T. van Paddenburg & Zoon. De Post, die vanaf 20 januari 1781 tot kort na 16 oktober 1787 zou verschijnen, werd met een oplage van minstens 2400 stuks per nummer al spoedig een van de toonaangevende bladen van de zich nu snel ontwikkelende patriottenbeweging: de beweging van ‘verlichte’ burgers en regenten die democratische hervormingen nastreefden, zich keerden tegen de traditionele pro-Britse politiek van de Oranjes en de macht van de oranjepartij en van de vele conservatieve regentenfacties trachtten te ondermijnen.(26) ’t Hoen trad toe tot de Utrechtse patriottensociëteit ‘Getrouw voor het Vaderland’, met zijn circa veertig leden een drijvende kracht achter de geëiste democratische hervormingen in de Domstad en het Sticht. ’t Hoen was als journalist en schutterij-officier nauw betrokken bij de machtsovername door de patriotten in de stad Utrecht in augustus 1786. Op 9 mei 1787 streed ’t Hoen mee in een vuurgevecht bij Vreeswijk, waarbij de Utrechtse schutters oranjegezinde troepen verdreven die de stad Utrecht poogden in te sluiten. De beginnende toestand van burgeroorlog eindigde in september 1787 met de inval van 20.000 man Pruisische troepen, die Willem V, zwager van de Pruisische koning, te hulp kwamen.(27) Evenals vele mede-patriotten vluchtten ’t Hoen en zijn gezin vanuit de Republiek naar het hen welgezinde Frankrijk, waar zij ruim zeven jaar in ballingschap leefden, tot begin 1795. In januari 1795 keerden de patriotten met de zegevierende Franse revolutielegers naar Nederland terug en riepen zij de Bataafse Republiek uit (1795-1805). In deze jaren, toen ’t Hoen van 1795 tot in 1802 te Utrecht en te Arnhem verscheidene secretariaatsfuncties bekleedde in de opeenvolgende gewestelijke Bataafse besturen, zou hij ook zijn journalistieke arbeid hervatten: de Post kreeg een opvolger, De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn, die van 10 maart 1795 tot en met 6 december 1799 zou verschijnen. Pieter ’t Hoen overleed op 9 januari 1828 te Amersfoort, waar hij vanaf 1811 de functie van griffier van het vredegerecht had bekleed.(28) In 1788, na hun vlucht uit de Republiek, vestigden ’t Hoen en zijn gezin zich in Noord-Frankrijk, waar Pieter in verscheidene plaatsen woonachtig was, het langst in Duinkerken en later in het nabijgelegen Watten, temidden van vele gevluchte geestverwanten.(29) De opeenvolgende Franse regeringen, steeds op gespannen voet met Frankrijks aartsrivaal Engeland, waren de eveneens anti-Britse patriotten uit de Republiek gunstig gezind. De Fransen verleenden hen onder meer financiële bijstand. Een aantal patriotten, onder wie vijf publicisten die belangrijk waren voor pro-Franse propaganda in de Republiek, ontving een tijdlang een aanzienlijke toelage. Onder hen bevond zich ook Pieter ’t Hoen, die vanaf 12 april 1788 tot 4 augustus 1792 een jaarlijks bedrag van 2400 livres kreeg.(30)----------26. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 575-623. 27. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 235-261, 334-421, 479-569.28. Theeuwen, ‘Van patriotse idealen…’ 239-251. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 570-572.29. Over ’t Hoen in ballingschap, zie J. Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795 (Nijmegen 2003) 155, 280-281, 478, en bijbehorende CD-rom, persoonsnummer 1246 (Pieter ’t Hoen); en J. Baartmans, Hollandse wijsgeren in Brabant en Vlaanderen. Geschriften van Noord-Nederlandse patriotten in de Oostenrijkse Nederlanden, 1787-1792 (Nijmegen 2001) 33-34, 40, 126 noot 138, 272, 272 noot 242, 296, 482. Zie ook P. Theeuwen, Pieter ’t Hoen (1744-1828) ‘De secretaris der Utrechtse volkstem', onuitgegeven doctoraalscriptie, begeleider G.A.M. Beekelaar (Nijmegen 1988) 73-90.30. Voor de toelage en de speciale lijst met 24 patriotten, zie Rosendaal, Bataven!, 123- 124; de overige vier publicisten waren F. Bernard, J.Chr. Hespe, A.-M. Cérisier en P.-.A. Dumont-Pigalle. Met dank aan Joost Rosendaal voor de mij op 17-02-1991 hierover reeds toegezonden gegevens. p. 7 Toen in de loop van 1793 de bijzondere toelagen werden afgeschaft, begon Pieter in de buurt van Duinkerken een tabaksfabriek, verkocht hij onroerend goed uit zijn bezit te Utrecht en nam hij ook de pen weer op.(31) Korte tijd werkte hij in 1792 met zijn medepatriotten Joost Vrijdag en Wybo Fijnje samen in de Duinkerkse emigrantenuitgeverij Van Schelle & Comp., overigens met kwalijke gevolgen: nog in 1798 verweet Vrijdag hem ‘nimmer om zijne zaken te denken, maar wel op zijne plesierparthijen’. De neergang van de door Van Schelle & Comp. uitgegeven Duinkerksche Historische Courant (1791-1792) was volgens Vrijdag met name te wijten aan ’t Hoens onverantwoordelijk gedrag. In het kleine halve jaar dat ’t Hoen bij deze krant betrokken was, kelderde de kwaliteit kennelijk dusdanig dat Vrijdag, tevens geplaagd door moeilijkheden met de verzending, besloot de uitgave eind september 1792 te staken. ’t Hoen bleef redelijk succesvol als auteur en journalist, maar was overduidelijk ongeschikt als medefirmant in het bedrijf. Het is overigens mogelijk dat Vrijdag onder ’t Hoens ‘plesierparthijen’ ook zijn drukke literaire werkzaamheden heeft gerekend, waarvan juist in 1792 de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus het leeuwendeel vormden.(32) Intussen had ’t Hoen, evenals vele andere bekende patriotten, een bescheiden aandeel in de dramatische ontwikkelingen tijdens de Franse Revolutie. Hij behoorde tot de kring van patriotten rond Johan Valckenaer, voormalig hoogleraar Romeins recht aan de hogeschool te Franeker, en was in 1793 secretaris van de Franse jacobijnenclub van Watten, waarvan behalve hij en Valckenaer nog zeven andere Nederlanders lid waren. Ofschoon dus actief op de radicale vleugel van de revolutionaire politiek, toonde hij zijn afkeer van de Terreur (juli 1793 – 27 juli 1794), het schrikbewind van Robespierre en zijn jacobijnse voorhoede, die vanuit Parijs meedogenloos afrekenden met hun politieke tegenstanders, van wie er ongeveer 2500 geguillotineerd werden. Waarschijnlijk hielden de Wattense clubbisten, en in elk geval de Nederlandse, zich in die periode op de achtergrond en wijzigden zij tijdig hun politieke koers toen de kring rond Robespierre zijn draconische maatregelen begon te nemen. Voor dat laatste vinden wij een tweetal aanwijzingen in ’t Hoens Nieuwe Post. Op 6 oktober 1795 schreef Pieter in zijn nieuwe blad dat hij ‘in Frankrijk zijnde niet geschroomd’ had de leiders van de Terreur ‘en hunnen eerloozen aanhang openlijk met de pen aantetasten’. Ook een correspondent in zowel de oude als de nieuwe Post, Lubbert Dromer, liet zich hierover uit. Op 3 mei 1796 schreef hij in de Nieuwe Post aan ’t Hoen, dat hij steeds zijn stem tegen de vijanden van zijn vaderland zou blijven verheffen, zelfs als die ‘den moordbijl van eenen Robespierre…boven mijnen nek [hadden] opgeheeven,…gelijk ik weet burger! dat gij met mond en pen hebt durven doen in het land uwer ballingschap.’(33) Ondanks bovenstaande getuigenissen is over ’t Hoens politieke activiteiten in Frankrijk vooralsnog weinig bekend; des te meer weten wij over zijn bezigheden als auteur. Hij schreef er gelegenheidsgedichten, enkele bundels zedenkundige toneelstukken met zowel eigen werk als vertalingen van enige Franse stukken, en gaf een bewerking in Noordnederlandse stijl en spelling uit van het Vlaamse werk van de leider der Zuidnederlandse democratische patriotten, mr. Jan Frans Vonck.(34)----------31. Theeuwen, ‘De secretaris’, 74-78.32. A. Hanou, ‘De Duinkerksche historische courant (1791-1792)’, in: Pieter van Wissing (red.), Stookschriften, 183-197, i.h.b. 185, 187.33. R. van Gelder, Patriotten in ballingschap. Nederlandse politieke vluchtelingen in Noord-Frankrijk (1787-1795), onuitgegeven doctoraalscriptie (Amsterdam 1976) 47. R. Tuente, De emigrantenuitgeverij Van Schelle & Comp. in Duinkerken en het leven van de hoofdfirmant Pieter van Schelle (1749-1792), onuitgegeven doctoraalscriptie (Nijmegen 1989) 100. C. Kroes-Ligtenberg, Dr. Wybo Fijnje 1750-1809. Belevenissen van een journalist in de Patriottentijd (Assen 1957) 177. De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn, I, 37 (6 okt. 1795) 293-296; II, 72 (3 mei 1796) 583. Over de Terreur en de contacten tussen patriotten en jacobijnen, zie Van Gelder, a.w., 44-47, en Rosendaal, Bataven!, 329-330, 401-442.34. Kort historisch verhaal en onzydige aanmerkingen over de gesteltenis van Braband, wegens het gebeurde aldaar in den jaare 1790 en vervolgens door Mr. J.F. Vonck; naar het Vlaamsch origineel, in het Hollandsch gebragt door P. ’t Hoen (Duinkerken, Van Schelle & Comp., 1793). Baartmans, a.w., 268-273; 272 noot 242. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 565-566. Voor een degelijke opgave van ’t Hoens literaire en journalistieke werk tijdens de ballingschap, zie J. Zwagemakers, Bibliografie der geschriften van en over Pieter’t Hoen, ongepubliceerde doctoraalscriptie (Nijmegen 1980) 25-32, 60, 61, 108. p. 8 ’t Hoen als Martinus Scriblerus; zijn relatie tot de vroegere Scribleriana en de uitgave van de Gedenkschriften Was het bij de originele Memoirs uit de jaren 1714-1741 doorgaans onmogelijk de identiteit van de auteur of auteurs van elke afzonderlijke bijdrage vast te stellen, ook bij de Gedenkschriften van 1791-’92 is de verwijzing ‘uitgegeeven door de schryvers van den Post van den Nederrhyn’ op zich geen doorslaggevend bewijs voor ’t Hoens auteurschap. Er bestaan echter andere, vrij duidelijke aanwijzingen. De auteur presenteerde de inhoud van zijn blad als een verzameling traktaten uit de nalatenschap van zijn vader, de geleerde Martinus Scriblerus den Jongen. In het voorwoord van de eerste aflevering schreef hij: ‘onder die stukken zyn ook de onderaardsche reizen van Claas Clim den Jongen, zoon van den beroemden koster der kruiskerke van Bergen in Noorweegen, die wy reeds met het derde of vierde stuk zullen aanvangen, aan onze lezeren medetedeelen’. In ons eerdere onderzoek naar de Post hebben wij reeds gewezen op ’t Hoens voorliefde voor het imaginaire reisverhaal Onderaardsche Reis van Claas Klim, geschreven door de Noors-Deense hoogleraar, schrijver en reiziger Ludvig Holberg (1684-1754), destijds in vele talen vertaald en een bestseller in heel Europa, waarvan de Nederlandse editie in 1995 door André Hanou is geanalyseerd en opnieuw uitgegeven. Ook hebben wij toen gewezen op het verband tussen ’t Hoens situatie en bedoelingen in 1791-’92, Holbergs Claas Klim en het pseudoniem Martinus Scriblerus. De naam Martinus Scriblerus kwam ’t Hoen goed van pas: de achternaam als verwijzing naar zijn schrijverschap, de voornaam als referentie aan Sint Maarten, patroonheilige van Frankrijk, ’t Hoens ballingsoord. Maar bovendien verwijst Martinus naar Holbergs parodie op Frankrijk in zijn Claas Klim: het gefingeerde land Martinia, bewoond door lichtzinnige, op modegrillen verzotte apen. De schuilnaam Martinus Scriblerus paste dus uitstekend bij ’t Hoens persoonlijke situatie.(35) De Gedenkschriften zelf bevatten verscheidene verwijzingen naar het auteurschap van ’t Hoen. Uit het voorwoord bij de derde aflevering valt op te maken dat de schrijver van het blad na het overlijden van zijn uitgever, Pieter van Schelle, diens werkzaamheden gedeeltelijk heeft overgenomen. Het was Pieter ’t Hoen die na Van Schelle’s dood medevennoot werd in diens bedrijf. Een der personages uit de Gedenkschriften, de verwaande schoenlapper Jan Pik, die op zon- en feestdagen uitgedost als een edelman door de straten flaneert, duikt vijf jaren later op als gefingeerde correspondent in ’t Hoens Nieuwe Post van den Neder-Rhyn.(36) In die Post figureert Pik als een uit ballingschap teruggekeerde patriot die het bewind van de nieuwe Bataafse Republiek een buitensporig hoge vergoeding tracht af te troggelen voor de in 1787 en daarna geleden schade. Ook een echte correspondent in de Nieuwe Post wekt de indruk dat ’t Hoen inderdaad Scriblerus is: de eerder genoemde Lubbert Dromer, een der meest trouwe en productieve correspondenten uit ’t Hoens oude Post, van wie er in het nieuwe periodiek verscheidene terugkeerden. Lubbert, die tot op de dag van vandaag zijn ware identiteit voorbeeldig heeft weten te verhullen, liet weten dat volgens zijn inlichtingen de schrijvers van de Post ook na 1787 hun stem in de Republiek hadden doen klinken, ‘schoon gekleed in een ander gewaad als het Post-wambuisje’. De tabberd van de geleerde Scriblerus is vooralsnog het enige ‘andere gewaad’ dat hier in aanmerking komt.(37)----------35. Ludvig Holberg, De onderaardse reis van Claas Klim (1741), ed. A. Hanou (Leiden 1995). Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 694-695.36. Gedenkschriften, eerste stuk, 43-44; derde stuk, voorbericht. De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn, dl. II, nr. 65 (15 maart 1796), Jan Pik, 526-532. Voor Jan Pik, zie ook De Nieuwe Post, IV, 197 (3 juli 1798) 1617-1622.37. De Nieuwe Post, I, 7 (17 april 1795) 53.p. 9Wat betreft de relatie tussen Pieter ’t Hoen en de vroegere Scribleriana moet men constateren dat ’t Hoen niet enkel de oorspronkelijke Memoirs goed gekend heeft, maar bovendien ook het pamflet oikomania uit 1765. Het pamflet is geschreven door een anonymus die zich Martinus Scriblerus Secundus noemt, ‘den geringen Navolger mynes grooten Ooms Martinus Primus’, waarmee onmiskenbaar het oorspronkelijke Engelse werk is bedoeld. Pieter presenteert zich in de Gedenkschriften als de eerstvolgende, derde Scriblerus in het rijtje: ‘Mijn vader was een zoon van den beroemden Martinus Scriblerus, en naar dat licht ben ik genaamd, Martinus Scriblerus Tertius, anders volgens de gewoonte der geleerden, Martinus Scriblerus Tertius, Martini Secundi filius, Martini nepos [kleinzoon, P.Th.]’. ’t Hoen maakte van Martinus Secundus een zoon, geen neef van de eerste Scriblerus, maar aangezien hij zichzelf als Martinus Tertius opvoerde wist hij dat er al werk van een Secundus bestond. Dat Pieter het pamflet heeft gekend wordt nog waarschijnlijker wanneer wij daarin de volgende zinsnede ontmoeten: ‘De eeuw, die wy beleven, geeft wel zwierig geklede Schoenmakers’. Het is mogelijk dat ’t Hoen hier zijn idee heeft opgedaan voor zijn personage Jan Pik, de inderdaad zwierig uitgedoste schoenlapper die we hierboven zowel in de Gedenkschriften als in De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn hebben ontmoet.(38) Het hoeft geen verwondering te wekken dat ’t Hoen de oorspronkelijke Memoirs heeft gelezen, want hij was goed thuis in de Britse literatuur. In zijn imaginair reisverhaal Reize door het Wonderland, geschreven onder het pseudoniem J.A. Schasz, laat hij de hoofdpersoon Dirk Denker over de Britten zeggen: ik ‘las de werken van hunne eerste vernuften, en met veel smaak’. De oude Post van den Neder-Rhijn bevat tal van aanwijzingen voor ’t Hoens kennis van de Britse politieke filosofie en referenties aan twee Britse auteurs, de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) en de Engelse romancier Samuel Richardson (1689-1769).(39) Pieter heeft mogelijkerwijs ten huize van de uitgevers van zijn Post, G.T. van Paddenburg en zijn zoon Otto, met de Memoirs kennisgemaakt. Bijlage XII van de Post, verschenen in januari 1786, bevat namelijk een fondslijst van Otto van Paddenburg met Duitstalige werken, waarin ook een Duitse vertaling van de verzamelde werken van Alexander Pope is opgenomen.(40) Van de Gedenkschriften zijn maar enkele exemplaren bewaard gebleven. Zoals gezegd zijn er tot op heden slechts drie nummers van het maandblad bekend, betiteld als eerste, tweede en derde ‘stuk’: één uit 1791 en twee uit 1792. Een exemplaar met daarin het eerste en tweede stuk berust in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, een exemplaar met het tweede en derde stuk in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage. Van het eerste stuk is nog slechts één onvolledig exemplaar over; onvolledig omdat het titelblad ontbreekt en van het voorwoord, dat vier pagina’s moet hebben geteld, alleen de laatste met maar zes regels tekst aanwezig is. Van het tweede stuk zijn beide exemplaren compleet, inclusief de titelbladen. Van het derde stuk is, net als van het eerste, slechts één exemplaar bekend, maar wel volledig, inclusief titelblad. Deze drie titelbladen dragen de tekst ‘Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen, uitgegeeven door de schryvers van den Post van den Nederrhyn’, de aanduiding ‘tweede [derde] stuk’ en als uitgeversadres ‘Te Duinkerken / By Van Schelle & Comp.’, met in Romeinse cijfers het jaartal. Opvallend genoeg wordt het tweede stuk uit de Koninklijke Bibliotheek echter voorafgegaan door een extra, afwijkend titelblad. Dit blad heeft, anders dan de gewone titelbladen, een randversiering in de vorm van een klimoprank, en bovendien ontbreken de woorden ‘uitgegeeven door de schryvers van den Post van den Nederrhyn’. Dit afwijkende type titelblad lijkt niet thuis te horen in dit stuk, dat ook het gewone titelblad bevat, maar heeft mogelijk tot een verder niet bewaard gebleven of nooit voltooide tweede druk behoord. Volgens Saakes’ lijst van Nederlandse boeken bedroeg de prijs van elk ‘stuk’ twaalf stuivers.(41)---------- 38. Historie der…ziekte oikomania..., zie titelpagina, toegevoegde brief (zonder paginering), en pp. 6 en 23; voor de schoenmaker, zie p. 14. Gedenkschriften, eerste stuk, II.39. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 696-700, 708. J.A. Schasz M.Dr., Reize door het Wonderland, en eenige andere vreemde landen, gedaan door Dirk Denker (Amsterdam, I. de Jongh, 1780) 38.40. W. P. Sautijn Kluit, ‘De Post van den Neder-Rhyn’, in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, nieuwe reeks, 10 (1880) 305. De Post van den Neder- Rhijn, Bijlage XII, 72; deze uitgave telde twaalf delen, bevatte een portret van Pope en kostte zes gulden en 18 stuivers.41. Signaturen: Univ. Amsterdam, Bijzondere Collecties, 1509 D 35; Kon. Bibl. 444 L 4. Naamlijst van Nederduitsche boeken, als mede van Fransche en Latijnsche werken, oratien, dissertatien, konstprenten, pourtraitten, landkaarten, enz. gedurende de jaaren 1790-1848 in ons vaderland uitgekomen (Amsterdam, Saakes, 1794-1853) 13 dln., dl. I, 229. Vgl. Tuente, a.w., 106, en Zwagemakers, a.w. 108. p. 10Dat het maandblad zeer onregelmatig is verschenen, blijkt intussen uit het voorbericht bij het derde stuk, waar de auteur zich hiervoor verontschuldigt. Als reden voor de vertraging bij de uitgave van dit derde stuk voert ’t Hoen het overlijden van Pieter van Schelle aan, op 28 februari 1792, waarna hijzelf medefirmant werd zoals hij hier ook schrijft: ‘thans is die taak, welken hy (Pieter van Schelle, P.Th.) vol lust en yver op zich had genoomen, ook de onzen geworden; dit is de rede, dat wy de Gedenkschriften van onzen Martinus Scriblerus niet geregeld maandelyksch kunnen vervolgen, edoch dezelven met den mogelyksten spoed zullen tragten doortezetten’. Van dit spoedig doorzetten is wellicht niets meer gekomen, en alleen uit de laatste regels van het voorbericht van het eerste stuk weten we iets over de geplande inhoud van het vierde stuk, namelijk het reeds genoemde vervolg op Claas Klim.(42) De drie stukken die wèl zijn verschenen, waren overigens vrij omvangrijk: het eerste stuk telde, indien compleet, 84 pagina’s, het tweede en het derde stuk elk 78 pagina’s. Het derde stuk is overigens als enige voorzien van een inhoudsopgave.Blijkens het onderzoek van R. Tuente naar de uitgeverij van Van Schelle richtte de firma zich zowel op het publiek in de Republiek als op de patriotse vluchtelingengemeenschap in Noord-Frankrijk. Aangezien alle lectuur, afkomstig uit de patriotse emigrantenuitgeverij, onder de repressieve censuur viel van de oranjegezinde regeringscolleges die vanaf 1788 de Republiek beheersten, moest deze met grote voorzichtigheid van Duinkerken naar Nederland gesmokkeld worden. Twee belangrijke contacten hierbij in de Republiek waren mr. Laurens van Santen, repetitor en na 1795 curator aan de Leidse universiteit, en J. van Schelle, broer van de uitgever en koopman te Rotterdam. Van Santen fungeerde blijkbaar regelmatig als correspondent, die via anonieme brieven contacten met boekverkopers onderhield, J. van Schelle zorgde voor de verzending van foldermateriaal en boeken via de beurtschepen die vanuit Rotterdam op Duinkerken voeren. Boekverkopers waarmee men via deze kanalen relaties onderhield waren onder meer Johannes Luchtmans te Leiden en Jan Verlem te Amsterdam. Ondanks het omzichtig opgebouwde geheime netwerk was men geenszins van een ongestoorde handelsstroom verzekerd. De weersomstandigheden bleven altijd een onzekere factor. Maar de grootste hindernis vormde het uitbreken van de Eerste Coalitieoorlog tussen het revolutionaire Frankrijk en Oostenrijk, Pruisen en Engeland (1792-1797). Door deze oorlog werd het verzenden van kranten en tijdschriften vanuit Frankrijk naar de Republiek, via de Oostenrijkse Nederlanden of het door de Britse marine beheerste Kanaal, ernstig bemoeilijkt. Dit probleem met de verzending werd in het laatste nummer van de Duinkerksche Historische Courant, van 29 september 1792, zelfs genoemd als de reden voor het opheffen van de krant. Men mag echter aannemen dat ook de volstrekt onbevredigende samenwerking tussen ’t Hoen en Joost Vrijdag binnen de firma Van Schelle debet zijn geweest aan de onregelmatige uitgave en, uiteindelijk, het staken van de Gedenkschriften.(43)----------42. Gedenkschriften, derde stuk, 2.43. Tuente, a.w., 73, 78-80, 81-85. Hanou, Duinkerksche Hist. Courant, 185. Zie voor Van Santen (1746-1798) de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), 101-104.p. 11Gedenkschriften en Memoirs: een vergelijkende analyseDe drie ‘stukken’ die van ’t Hoens Gedenkschriften bewaard gebleven zijn, vormen evenals de Memoirs geen willekeurige verzameling van losse teksten, maar zijn samengesteld volgens een vooraf uitgestippeld plan. Dit wordt reeds bewezen door ’t Hoens opmerking dat hij het in ‘het derde of vierde stuk’ wilde beginnen met het vervolg op Claas Klim. De Gedenkschriften beginnen, net zoals de Memoirs, met een kennismaking met Scriblerus, geboekstaafd door de uitgever van diens geschriften. Bij ’t Hoen zijn dat Scriblerus Secundus’ nagelaten geschriften, uitgegeven door zijn zoon, Martinus Scriblerus Tertius. Op deze inleiding volgen dan ook een vijftal documenten uit de nalatenschap van Martinus’ vader. In het tweede stuk van de Gedenkschriften wordt de publicatie van die documenten voortgezet met vier bijdragen, maar hier verschijnen bovendien vijf zogenaamde reacties van lezers van de inmiddels uitgegeven bescheiden. Het derde stuk is samengesteld uit een van de nagelaten documenten, gevolgd door drie fictieve lezersbrieven. Vaak levert Martinus junior in het kort commentaar op zijn vaders geschriften of op de reacties van lezers.Was Alexander Pope aanvankelijk voornemens een satirisch periodiek te schrijven, voor de Memoirs kozen de Scriblerians spoedig de vorm van een satirische biografie. Zoniet Pieter ’t Hoen, die wèl voor een periodieke uitgave koos en daarmee onmiskenbaar aanknoopte bij De Post van den Neder-Rhijn: een periodiek werk, grotendeels gevuld met brieven van correspondenten en ontvangen documenten, voorzien van inleidingen of commentaren van de redacteur. Qua vormgeving zijn de Gedenkschriften daarom niet zozeer een navolging van de Memoirs, maar meer een fictieve Post van den Neder-Rhijn; een voortzetting van het patriotse periodiek, maar vol gefingeerde brieven, documenten en betogen nu er door de nederlaag van 1787 geen sprake meer was van een stroom aan èchte patriotse correspondentie.Patriots waren de Gedenkschriften zeker: het blad is geheel doorspekt met patriotse politieke ideeën en het geheel heeft een belerende, moralistische toon die sterk aan de spectators en aan de Post doet denken. Martinus Scriblerus Tertius, alias ’t Hoen, stond uiteraard volledig achter die denkbeelden, en dat brengt ons bij een belangrijk verschilpunt met de Memoirs. De teksten van de Scriblerus-Club zijn met hun verwijzingen naar reële personen doorgaans veel subtieler dan die van ’t Hoen, en munten uit in absurde situaties en ideeën, die op een ogenschijnlijk amorele wijze, zonder moralistisch commentaar, gepresenteerd worden. Bij Scriblerus / ’t Hoen daarentegen zijn verwijzingen naar concrete personen veel directer en krijgt de lezer voortdurend en ondubbelzinnig morele en politieke lessen voorgeschoteld. Ondanks dit verschil tussen de twee teksten, met een amoreel absurdisme bij de Scriblerians en een patriots getint moralisme bij ’t Hoen, is vooral Martinus Scriblerus Secundus niet minder excentriek dan zijn illustere Britse voorgangers. Dit blijkt bijvoorbeeld als hij, in plaats van zijn schulden bij de bakker te betalen, een filosofisch betoog tegen de schrijvers van rekeningen opstelt.(44)Een volgend verschil met de Memoirs is, dat deze nagenoeg geheel biografisch zijn, terwijl in de Gedenkschriften voor een biografie van de auteurs alleen de inleiding van het eerste stuk is gereserveerd. Deze inleiding fungeert niet enkel als biografie maar tevens als voorproefje van de inhoud, want via de levensloop van Martinus Secundus worden alle thema’s blootgelegd die in het vervolg van het werk aan de orde zullen komen.----------44. Gedenkschriften, eerste stuk, XIV.p. 12In die inleiding stuiten wij meteen op een thema dat, naast de politiek, overal in dat werk aanwezig is, namelijk de kritiek op de literaire praktijk van die dagen, in het bijzonder op de dichtgenootschappen en literaire genootschappen; en daarbij stuiten we bovendien meteen op Jonathan Swift. Tal van literatoren uit de achttiende eeuw waren hun loopbaan begonnen in een dichtgenootschap of literair genootschap, dat poogde poëzie en proza, retorica en taalkunde te verbeteren en in dienst te stellen van de morele, godsdienstige en intellectuele verheffing van de burgerij. Zoals gezegd behoorde ook Pieter ’t Hoen tot een dichtgenootschap, ‘Volmaakter door den Tijd’, door hem en enige vrienden te Utrecht opgericht in 1775. In de loop van de jaren 1780 groeide echter ongenoegen over de werkwijze van de genootschappen. Kritiekpunten waren de strakke richtlijnen waaraan men de gedichten onderwierp, het vooraf vaststellen van thema’s op basis waarvan de leden vervolgens dichtstukken schreven en het overmatig bijschaven van de inzendingen, ten koste van de originaliteit van het werk en de vrije inspiratie van de dichter.(45) Kritiek op zouteloze rijmelarij is het eerste onderwerp dat we in de Gedenkschriften aantreffen, nader uitgewerkt in een dialoog tussen Martinus Scriblerus Secundus en zijn vriend Knabbelarius, ‘(insgelyks een zeer geleerd man, het welk de lezer uit den uitgang van zynen naam op US geredelyk kan opmaaken)’. Daarin stelt Scriblerus voor, ‘het denkbeeld van den beroemden Swift’ ten uitvoer te brengen, onmiskenbaar doelend op Swifts lang gekoesterd plan tot oprichting van een Britse letterkundige academie, een genootschap op nationaal niveau dat literaire talenten met elkaar en met vermogende kunstliefhebbers in contact zou kunnen brengen en financieel ondersteunen, naar het voorbeeld van de Académie Française. De Scribleriaanse, Nederlandse versie daarvan, speciaal bedoeld voor de rijmelaars, zou moeten bestaan uit ‘een zeer groot gebouw…in welke zy allen opgeslooten en van het noodige zouden werden voorzien’, kortom een gekkenhuis voor pruldichters. Zo’n inrichting moest echter bekostigd worden, en daartoe ontwierp Scriblerus Secundus een aantal nieuwe belastingen, waaronder een impost op de geveinsdheid van staatslieden, regenten en geestelijken. Het plan bleef onuitgevoerd doordat de rijmelaars allen werd opgenomen in de vele dichtgenootschappen die mettertijd ontstonden, zodat het geplande dolhuis overbodig werd. Ook andere werken en projecten van Secundus vielen niet in de smaak. Uit een wellicht al te grote goedheid, zo verhaalt ons zijn zoon, schreef hij enkele werkjes ter verdediging van bepaalde lieden die hij regelmatig had horen uitschelden. Een daarvan, een verhandeling ‘over de nuttigheid der onbetaamlyke winsten’, verdedigde effectenhandelaars en bankiers maar werd nooit gedrukt; een ander werk, getiteld ‘De eerlyke hoveling’, werd door het publiek terstond verketterd als een samenraapsel van leugens en vleierij. Zijn enige succes behaalde Secundus met een naamlijst van alle boekverkopers die, vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst, de auteurs wier werken zij drukten fatsoenlijk hadden behandeld. Dit werkje was vrijwel meteen uitverkocht, al besloeg het nauwelijks anderhalve pagina. Van een gepland onderzoek naar het geweten van de tegenwoordige regenten kwam niets terecht, omdat Secundus al spoedig bemerkte dat zijn onderzoeksobject niet bestond.Het valt te begrijpen dat de nijvere geleerde op deze wijze in Nederland nauwelijks inkomen kon verwerven. Pogingen om op jonge leeftijd reeds zijn talenten in het buitenland te gelde te maken hadden evenmin iets opgeleverd. Om aan de Sorbonne te Parijs zijn kundigheid te demonstreren, berekende hij de dikte van de stadsmuren van het bijbelse Jericho, kennelijk zonder dat dit veel indruk maakte. Een theologische verhandeling, geschreven kort voor 1688, waarin hij de val van Sodom en Gomorra had uitlegd als een voorspelling van de val van de Engelse koning Jacobus II, veroorzaakte evenwel zo’n commotie in regeringskringen dat hij Frankrijk, dat aan de zijde van de katholieke Jacobus stond, ijlings had moeten ontvluchten. Te Berlijn was het hem al net zo vergaan, na het opstellen van een geschiedkundige verhandeling ten bewijze dat de Pruisen afstamden van de als bijzonder barbaars beschouwde Scythen. Scriblerus Secundus bleef aldus straatarm en gaf tenslotte onverwacht de geest, met als doodsoorzaak een overmatige praktijkervaring inzake het onderwerp waaraan hij op dat ogenblik arbeidde: een werk over ‘De voordeelen van een sober leeven, en middelen, om zich aan het gebrek te gewennen’.(46)----------45. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 91-92, 95-99. C. Singeling, Gezellige schrijvers. Aspecten van letterkundige genootschappelijkheid in Nederland, 1750-1800 (Amsterdam 1991) 113-115, 226-231.46. Gedenkschriften, eerste stuk, I-XVIII. Kerby-Miller, a.w., 7-10.p. 13 Het beginthema van de inleiding, het hekelen van tweederangs dichters en hun genootschappen, keerde bij Scriblerus / ’t Hoen herhaaldelijk terug, bijvoorbeeld in een brief van medicinae doctor D. aan hoogleraar M. over de verzwakking van de mensheid door aantasting van hun moraal. Een van de daar beschreven ziektegevallen betreft zekere heer die zich verbeeldt een geleerde ‘en dat nog erger is, een dichter te zyn’. Hij is lid geworden van enkele genootschappen, ‘zonder te begrypen, dat men op die beroemde kunststallen zoo wel ezels als paarden zet.’ De meest uitvoerige satire op dit thema is de brief van de pasteibakker Jan Jorissen die voornemens is een dichtgenootschap op te richten, waarbij opnieuw de ‘ezelsstal’ ter sprake komt, waarvan de leden ‘hunne eige vuiligheid aan ieder een te koop bieden’.(47) Evenals in de bovengenoemde kritiek op de geveinsdheid van staatslieden en geestelijken en op de eigendunk van sommige rijmelaars kwam het sterk moralistische karakter van de Gedenkschriften goed tot uiting in de kritieken op de mode. In de genoemde brief van D. aan M. wordt het geval van een ruim vijftigjarige dame besproken die in de waan verkeert jong en mooi te kunnen blijven door een modern kapsel, make-up en kleding, en wel in zulke mate dat zij dreigt te eindigen in het dolhuis. De Gedenkschriften eindigen zelfs, in het derde stuk, met hekeling van de mode, in een uitvoerige bijdrage, zogenaamd geschreven door de kleermaker meester Flik. Kerkgangers zowel als vorsten en regenten worden in deze gefingeerde brief gekapitteld vanwege hun pronkzucht met weelderige kledij, die hen als het ware de deugden, het verstand en de bekwaamheid moeten verlenen die zij uit zichzelf niet bezitten. Vooral ook moeten petit-maîtres, de aan de nieuwste mode verslingerde rijke dandy’s het ontgelden. Scriblerus / ’t Hoen was echter, zonder het te weten, zijn tijd ruim twee eeuwen vooruit met zijn satirische aanprijzingen van piercings, naar de mode van Indiase en Indiaanse neus- en lipsieraden! (48)Zoals uit de hierboven geciteerde passages al blijkt, waren ook de pedanterie, de gewichtigdoenerij en soms de inhaligheid in geleerde kringen een dankbaar mikpunt van spot in de Gedenkschriften. In de inleiding van het eerste stuk stelt Scriblerus Tertius dat zijn vader als jonge geleerde een ‘grand tour’, een rondreis langs beroemde Europese universiteiten had gemaakt; niet om ‘de gezelschappen te zien, de speelpartyen by te woonen, mooije vrouwen te vinden, lekkeren wyn te drinken, en wat diergelyke gewigtige bezigheden onzer reizende en verlichte jeugd meer betreft’, maar om zijn kundigheid te tonen en te solliciteren. Wanneer in die inleiding de opvoeding van de jonge Martinus Scriblerus Tertius aan de orde komt in een dialoog tussen Tertius’ ouders, vindt vader zijn zoon volkomen geschikt om een groot geleerde te worden: zo twistziek, trots en koppig als een theoloog, zo schraapzuchtig als een advocaat, zo leugenachtig als een dichter of geschiedschrijver, en verzot op het martelen en doden van kleine dieren, wat een goede toekomst als medicus voorspelt. Martinus Tertius ontwikkelt zich dan ook voorspoedig tot een groot schrijver, naar zijn eigen zeggen vervuld van de daartoe noodzakelijke eigendunk, eigenwijsheid en vitzucht. Het beeld van de op geld beluste advocaat keert terug in de brief van D. aan M., in de vorm van een ‘ziektegeval’, namelijk een huisknecht die steelt van zijn patroon, en dat nog wel zonder door een doctorale bul daartoe gemachtigd te zijn, zoals dat wèl het geval is met advocaten die hun cliënten afzetten. In het tweede stuk laat Scriblerus / ’t Hoen zich laatdunkend uit over de hoogleraren uit zijn dagen, die zo geleerd zijn ‘dat zy niet kunnen gaapen, of het moet in de latynsche taal zyn, al verstaan zy die zoo min als de Egyptische tekenbeelden’. Het is alsof wij hier, naast alle terechte kritiek, ook een stukje persoonlijke wrevel, zoniet jaloezie van ’t Hoen horen doorklinken, die immers zijn eigen jaren op de latijnse school door slecht gedrag had verprutst, als latinist de schade later door zelfstudie had ingehaald, maar zijn kansen op een universitaire opleiding voorgoed had verspeeld.(49)----------47. Gedenkschriften, eerste stuk, 34-35; tweede stuk, 71-77.48. Gedenkschriften, eerste stuk, 34; derde stuk, 64-78.49. Gedenkschriften, eerste stuk, XV-XVI, XXII-XXIV, 34-35; tweede stuk, 44-45.p. 14 Een groep intellectuelen die het in het bijzonder moest ontgelden, was de clerus, en in het bijzonder de orthodoxe gereformeerde predikanten. Dit blijkt al in de inleiding, waar Secundus’ voorspelling betreffende Jacobus II voortspruit uit de ook door hem gevolgde werkwijze van sommige predikanten, die zich ‘draaijen en wringen’ om uit elke zinsnede in de Schrift een profetie te distilleren. In een brief van Scriblerus Secundus aan dr. Rochet, zogenaamd over de lichamelijke, maar in realiteit over de morele verzwakking van de mensen, ontmoeten we ds. Probus, die zich ’s zondags deftig per koets naar de kerk laat rijden om daar de nederigheid te prediken, waarbij opgemerkt wordt dat hij een ‘voorstander van het Voetianismus’, een aanhanger van de strenge orthodoxie is. Scherpe kritiek op de geestelijkheid werd ook geuit in een betoog van Martinus Scriblerus de Jonge betreffende een zogenaamd Engels plakkaat, waarbij de katholieken worden uitgesloten van lidmaatschap van het schippersgilde. In werkelijkheid is hiermee de uitsluiting van de katholieken uit de ambachtsgilden en officiële functies in de Republiek bedoeld, ten voordele van de gereformeerden. Het is ook hier de gereformeerde orthodoxie die het moet ontgelden, vooral in de persoon van de zeer geleerde en alom gewaardeerde ds. Rabbelarius. Over zijn preken merkt Scriblerus op: ‘’t is waar, hy verklaart wel niet veel, en dat nog slegt; maar wat is de man met dat al dierbaar ! geen één kan zoo goed verdoemen als hy; hy bewyst uit de grondtexten, dat niemand kan zalig worden, dan die in alles zoo zuiver denkt als hy zelve’. Hoe werd Rabbelarius dan zo’n goed predikant ? Op de latijnse school was hij ‘een ondeugenden ezel’ en op de universiteit ‘een ongebonden ligtmis…gelyk hy was en bleef, tot het oogenblik, dat hy een eerwaardige wierd’. Zoals Joost Rosendaal terecht opmerkt, staan ’t Hoens aanvallen op de gereformeerde orthodoxie wellicht niet los van de discussie die in de jaren 1790-1791 in Frankrijk woedde over de invloed en de positie van de geestelijkheid aldaar en die leidde tot een verplichting voor de geestelijken om trouw te zweren aan de Franse revolutionaire grondwet. Maar meer nog vormen die aanvallen een voortzetting van de praktijk in De Post van den Neder-Rhijn, waar ’t Hoen onvermoeibaar opkwam voor gelijkberechtiging van de katholieken en fel van leer trok tegen de vele oranjegezinde, orthodox-gereformeerde predikanten. We zagen reeds dat in het Engeland van Swift en Pope eveneens een streng uitsluitingsbeleid ten aanzien van de katholieken werd gevoerd sinds prins Willem III er in 1690 koning was geworden. De traditionele band tussen de Republiek en Engeland, in orthodox-oranjegezinde ogen een natuurlijk bondgenootschap dat mede berustte op de door beide staten gedeelde protestantse religie, was de patriotten steeds een doorn in het oog geweest, reeds vanaf de Vierde Engelse Oorlog. Het is dus niet verwonderlijk dat Scriblerus / ’t Hoen Engeland in deze satire betrekt en stevig uithaalt naar de Engelsen, schamper betiteld als ‘onze edelmoedige bond- en geloofsgenooten’.(50)----------50. Gedenkschriften, eerste stuk, XVII, 42-43; tweede stuk, 3-14, i.h.b. 4 -5, 9-14; Rosendaal, Bataven!, 478. Vgl. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 223-224, 281-283, 316- 319, 470-473, 547-550.p. 15 Met die laatste constatering komen we bij het hoofdthema van de Gedenkschriften, de politiek. Begrijpelijkerwijs komt vooral Pruisen, het land dat met militair geweld een einde aan de patriottenbeweging maakte, er in deze satire slecht vanaf, zoals reeds bleek uit de vergelijking tussen de Pruisen en de Scythen in de inleiding. Die vergelijking wordt daar meteen toegepast op de Pruisische inval van 1787 en op prinses Wilhelmina van Pruisen, gemalin van stadhouder Willem V, wiens aanhouding door patriotten bij haar poging naar Den Haag te reizen om daar een oranje-omwenteling op gang te brengen de opmaat tot de invasie vormde. Al spoedig ontwikkelde de anti-Pruisische satire in de Gedenkschriften zich tot een algehele anti-Duitse satire. Meteen reeds na de inleiding schreef ’t Hoen in het eerste stuk een dialoog in het dodenrijk tussen het kannibalenopperhoofd Caninaphoras en Robbert de Dolle, erfvorst van een niet nader genoemd Duits vorstendom. De uitkomst van dit tweegesprek is dat de kannibaalse beschaving op een hoger peil staat dan de Europese, met zijn ingewikkelde wetgeving, verwoestende oorlogen, absolute vorsten en dwaze modegrillen, terwijl de zogenaamde wilden slechts op logische wijze de natuurwetten volgen. Zo opvallend als het is dat ’t Hoen in dit dodengesprek uitgerekend een Duitse vorst opvoerde, zo opmerkelijk is het ook dat de reeds genoemde pasteibakker die een dichtgenootschap wil oprichten in Bremen woont. In het tweede stuk van de Gedenkschriften vinden we een briefwisseling tussen een Engelsman en een Pool, waarin zowel anti-Duitse als anti-Britse sentimenten de toon zetten. De Engelsman is een dief die de Pool vraagt of zijn land een geschikt toevluchtsoord is waar dieven in alle rust en beschermd door privileges hun métier kunnen uitoefenen. Uit deze correspondentie blijkt meteen al dat niet Polen, maar Nederland bedoeld is: er heeft althans recentelijk een Duitse of Pruisische inval plaatsgevonden waarbij vreselijk geplunderd is en burgers zijn vermoord en mishandeld. Het antwoord aan de Engelse dief luidt dan ook dat hij zich maar snel in dit land moet vestigen, daar er voor rovers uitstekende vooruitzichten zijn. Uiteraard was deze bijdrage gebaseerd op de anti-Engelse en anti-Duitse sentimenten van ’t Hoen en zijn mede-bannelingen, voortvloeiend uit hun ervaringen ten tijde van de Engelse Zeeoorlog en de Pruisische inval. Maar daarnaast lijkt deze briefwisseling, evenals alle passages met een anti-Duitse en anti-Engelse toon, tevens aan te sluiten op eerder literair werk van ’t Hoen, namelijk het vroege, uit de jaren 1778-1780 daterende oeuvre, verschenen onder het pseudoniem J.A. Schasz M.D. Onder dit vroege Schasz-oeuvre vallen onder meer drie zogheten ‘moffenkluchten’, deel uitmakend van het weinig verheffende genre waarin sedert de zeventiende eeuw Duitse seizoenarbeiders en immigranten belachelijk werden gemaakt. In datzelfde oeuvre vindt men de reeds genoemde Reize door het Wonderland, die veel kritiek op Engeland bevat, en het politieke toneelstuk De geplaagde Hollander of de lastige nabuur, een stuk gericht tegen de neergang van de Nederlandse handel, de Britse concurrentie en het beleggen in Engelse aandelen door Nederlandse renteniers.(51)----------51. Gedenkschriften, eerste stuk, XVIII-XX, 1-21; tweede stuk, 54-64, 71. Theeuwen, Pieter ’t Hoen, 100-101. Over de vroege Schasz-werken, zie voorts P. Theeuwen, ‘Een fictieve broodschrijver. Pieter ’t Hoen en het vroege oeuvre van J.A. Schasz M.D.’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, jrg. 24, 2 (juli 2001) 89-104. Zwagemakers, a.w., 79-81, 84-85.p. 16 Het overgrote deel van de Gedenkschriften is gewijd aan patriotse politieke ideeën, de staatsinrichting van de Republiek, en het berispen van het sinds 1787 zegevierende bewind van stadhouder Willem V en de oranjegezinde en conservatieve, ‘aristocratische’ regenten. In het eerste stuk wordt dat laatste thema voor het eerst uitvoerig behandeld in een zogenaamde briefwisseling tussen een heer uit Genua en zijn vriend in Venetië. De Genuese heer verzoekt zijn vriend, een kundig schrijver en geleerde, een werk te schrijven over de geschiedenis en burgerrechten van Genua ter onderrichting van de jeugd in zijn stadstaat (lees: de Nederlandse Republiek). De Venetiaan antwoordt dat kennis van de geschiedenis en de burgerrechten, kortom politiek bewustzijn bij de burgerij, tegenwoordig totaal overbodig is; er is nu immers een oppermachtige oligarchie, dus waartoe zijn burgerrechten en burgerinvloed in het landsbestuur nog nodig? Venetië stond in de achttiende eeuw te boek als schoolvoorbeeld van een republiek die beheerst werd door een gesloten oligarchie.In de briefwisseling tussen de medicinae doctores D. en M. ontmoeten wij een ontspoorde regent, die als schepen slechts nog vonnissen velt op basis van aan hem bewezen gunsten danwel uit wraak. Deze wordt in de betreffende brief echter voorafgegaan door ‘een staatsdienaar, tusschen de 40 en 50 jaaren oud’, die zich verbeeldt de hoogste macht in de staat te bezitten en zijn meester aan zich onderworpen heeft: onmiskenbaar Willem V, als stadhouder formeel de dienaar van de respectieve gewestelijke Staten, maar inmiddels feitelijk oppermachtig dankzij zijn talrijke vertrouwelingen in alle regeringscolleges, zijn macht als militair opperbevelhebber en de financiële, politieke en militaire steun van Engeland en Pruisen. Een brief van Martinus Scriblerus Secundus aan doctor Rochet, evenals de brieven tussen D. en M. over het verval van krachten bij allerlei lieden, laat de lezer kennis maken met de stadsregent D., die sinds hij zijn machtspositie bekleedt zo bijziend is geworden dat hij geen burgerrechten meer kan zien en elke klagende burger als het schuim der natie beschouwt.(52)Meer nog dan het eerste stuk van de Gedenkschriften wordt het tweede stuk gedomineerd door patriotse politieke denkbeelden en de schaduw van de patriottentijd en de Pruisische inval, zoals reeds bleek uit de Engelse publicatie ter wering van katholieken uit het schippersgilde en uit de brief van een Engelsman aan een Pool. Het tweede stuk bevat een hele reeks politieke satires, in de meest uiteenlopende vormen. De meest uitvoerige daarvan is een redevoering over het tirannieke bewind van koning Nebukadnezar, de Babylonische heerser die in 587 v. Chr. Jeruzalem veroverde en de Joden in ballingschap wegvoerde. Deze rede, gebaseerd op het bijbelboek Jeremia en uiteraard toepasselijk op de situatie van de patriotten in ballingschap, is geschreven in de gedragen stijl van het Oude Testament en Nebukadnezar en de zijnen staan voor de stadhouder en de oranjegezinde regenten. In een zogenaamde voetnoot bij die rede duikt ook de gelijkenis van de Republiek met de oligarchie Venetië weer op, waar eens de raad (d.w.z. de regenten) tezamen met het volk de macht van de doge (lees: Willem V) had trachten in te perken, maar daarna met die doge samenspande om het volk te onderwerpen: een korte patriotse samenvatting van de gebeurtenissen in de Republiek van 1781 tot en met 1787.(53) De lezer wordt vervolgens nog even in de religieuze sfeer gehouden via een brief van de patriotse catechiseermeester Salomon. Deze onderwijst zijn leerlingen niet alleen in de catechismus maar ook in de bijbelse en soms ook de profane geschiedenis. Daarom staat hij in een slecht blaadje bij zijn minder goed onderlegde collega’s, van wie velen hun baan te danken hebben aan hun vleierijen bij predikanten en kerkeraden. Salomon geeft een staaltje van zijn ‘historische catechisatie’ over het stadhouderschap van Pontius Pilatus in vergelijking met dat van Willem V, waarbij Pilatus als de meest rechtvaardige van de twee stadhouders uit de bus komt. Want, zoals zijn leerling Jantje de meester antwoordt, liet Pilatus Jezus Christus slechts met tegenzin kruisigen, op het woedend geroep van het volk, ‘daar sommige anderen door de stem des volks niet te beweegen zyn geweest, om recht en gerechtigheid te handhaven.’ Op Salomons vraag waarom Pilatus zich ondanks zijn tegenzin liet overhalen door het volk, antwoordt Jantje dat men in die tijd nog niet gewoon was de volksstem met wapengeweld te onderdrukken. Geprezen wordt de vrouw van Pilatus, die Jezus verdedigde, en als verdedigster van de onschuld ver verheven was boven de echtgenotes van bepaalde andere stadhouders. Als de meester vraagt wat de beste eigenschap was van Pilatus’stadhouderschap, antwoordt Jantje: ‘Dat het niet erflyk was.’ Martinus Scriblerus de Jonge tekent hierbij aan dat meester Salomon wel niet veel succes geoogst zal hebben met zijn catechisatie, en ongetwijfeld weinig regentenkinderen als leerling heeft gehad.(54)----------52. Gedenkschriften, eerste stuk, 22-30, 32-33, 38-40.53. Gedenkschriften, tweede stuk, 14-30, Vgl. het Oude Testament, Jeremia, hh. 24-28. 54. Gedenkschriften, tweede stuk, 31-43.p. 18Ook de navolgende gefingeerde documenten, die grotendeels reacties van lezers van de Scriblerus-werken voorstellen, zijn gewijd aan de bekende politieke thema’s: het hekelen van de Engelsen, van het oranjevolk dat zo vaak patriotten en hun bezittingen molesteerde, van de stadhouder en de hem welgezinde regenten. Dit geldt voor de brief van de oranjegezinde boer Teunis, evenals voor het schrijven van Janus den Ouden, een uitdrager die een loterij houdt van nutteloze spullen zoals vrijheidsbeelden, afgedankte wetten die de macht van de regenten beperken en prenten van oude schepen, waaraan men kan zien dat de Republiek ooit een voorname scheepvaartnatie was. Het tweede stuk eindigt met een Oosterse vertelling, waarin de wijsgeer Abdallah, op zoek naar schoonheid, deze niet vindt in de schitterende paleizen en graftomben van vorsten, maar temidden van de puinhopen waaronder een voorvechter van vrijheid en burgerrechten begraven ligt. De vertelling verwijst naar de bekendste patriotse voorman, Joan Derk baron van der Capellen tot de Pol, overleden in 1784, wiens graftombe op de Gorsselse heide in de nacht van 6 op 7 augustus 1788 door orangisten met buskruit werd opgeblazen, overigens nadat het stoffelijk overschot van de ‘burgerbaron’ in het geheim reeds elders herbegraven was.(55) Het derde stuk begint meteen in kerkelijke en moralistische sfeer, met een predicatie van een kwaker uit Aarlanderveen over de rechter die om God noch gebod gaf uit het Evangelie van Lucas, hoofdstuk 18 vers 2. Uitgaande van de stelling dat de vrijheid Gods kostbaarste geschenk aan de mensheid is, predikt Scriblerus / ’t Hoen hier de vrijheid, het natuurrecht en de daarop gebaseerde volkssoevereiniteit, tegen de goddeloze rechters en machthebbers, in dit kader de stadhouder en zijn aanhang onder de regenten. Tegelijkertijd schildert hij in deze bijdrage ook een ideaalbeeld van de goede patriot: godvrezend, vastberaden in de strijd maar niet wraakzuchtig jegens verslagen vijanden. De predicatie wordt echter meteen gevolgd door een brief van de heer Superbus aan de heer Publicus, waarin de gefingeerde correspondent zich tegen de kwaker keert en zich ontpopt als een voorstander van de regentenoligarchie. Niet voor niets is hij een naamgenoot van Tarquinius Superbus, volgens de overlevering de laatste, bijzonder wrede koning van het oude Rome, op wiens verdrijving het begin van de Romeinse republiek volgde. Deze ‘aristocraat’ krijgt in een volgende gefingeerde brief bijval uit onverwachte hoek, althans in zijn verwerping van het betoog van de kwaker: een felle patriot, Julferd Pik, schrijft in een brief aan Claas Dood-of-Vry dat de kwaker met zijn oproep tot lankmoedigheid maar een ‘aristocraat’ en een draaier is. Julferd staat voor het type van de onverzoenlijke fanaticus die kost wat kost zijn zin wil doordrijven en alle gezag wantrouwt, ook dat van de door hemzelf gekozen regenten en schutterij-officieren. Geen wonder dat hij een plan opstelt tot het doordrukken van ‘de souveraine, onbepaalde, alles dwingende magt des volks…goedgekeurd door den souverainen wil van meester Pik’. Dat plan bevat onder meer bepalingen voor het benoemen van officiële volksmenners, gekozen uit ‘de vuurigste en niets ontziende patriotten’, en een voorstel om de regering ieder jaar te wijzigen en de regeringsvorm van het land elke twee jaar. Daarmee hekelde ’t Hoen ook het fanatisme binnen zijn eigen beweging, waarbij hij wellicht tevens de meest radicale stroming in zijn gastland en een al te fanatieke deelname daaraan door sommige Nederlandse patriotten op het oog heeft gehad. Achteraf bekeken was het waarschuwend karakter van deze bijdrage geenszins overbodig, want ruim een jaar na het verschijnen van het derde stuk van de Gedenkschriften kwamen in Frankrijk de ultra-radicalen aan de macht en barstte onder leiding van Robespierre in 1793-1794 de Terreur van de Franse Revolutie los. (56)----------55. Gedenkschriften, tweede stuk, 46-54; 66-70; 78-80. Zie W. Wertheim, ‘Het ziektebeeld van Joan Derk van der Capellen tot den Pol’, in: E. van Dijk e.a. (red.), De wekker van de Nederlandse natie. Joan Derk van der Capellen 1741-1784 (Zwolle 1984) 61, en prenten, pp. 158-159. 56. Gedenkschriften, derde stuk, 3-44; 44 -51; 51-63.p. 19SlotMemoirs en Gedenkschriften zijn beide uitgegeven in een tijd die in de ogen van de respectieve auteurs politiek ongunstig was, en waarin zij terugblikten op een recent verleden waarnaar men sterk terugverlangde. Voor de Scriblerians was dat de periode 1702-1714, de regering van Queen Anne, voor ’t Hoen de tijd vanaf 1786 tot september 1787, waarin het patriottisme nog de overwinning leek te kunnen behalen. De Scriblerians blikten na 1714 ook in de Memoirs nog wel terug, maar gingen spoedig allen vrijelijk hun eigen literaire weg, ondertussen van tijd tot tijd contact opnemend met elkaar. Hun wegen, deels samen, deels individueel, leverden meesterwerken op als Gulliver’s Travels van Swift. In ’t Hoens geval waren de literaire verdiensten veel bescheidener: zijn bekwaamheid lag op de eerste plaats in zijn politieke journalistiek, niet in zijn literaire werk. Zo ook in dit geval. Hij nam de satirische stijl van zijn beroemde Engelse voorbeelden weliswaar gedeeltelijk over in zijn Gedenkschriften, maar meer nog waren die Gedenkschriften impliciet een voortzetting van zijn vermaarde Post van den Neder-Rhijn. Het amorele, absurdistische element, zo opvallend in de voortreffelijk geschreven Memoirs, is bij ’t Hoen afwezig, het patriotse, politieke en maatschappelijke moralisme dat zijn Post zozeer kenmerkte komt in de Gedenkschriften sterk terug. Bovendien zat ’t Hoen als politieke balling veel meer dan de Scriblerians na 1714 vast op de plek waar de loop van de geschiedenis hem had achtergelaten, het Frankrijk van de grote Revolutie. Daarmee zijn de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus geen literair hoogstandje zoals de Memoirs, maar niettemin een goed geschreven en vermakelijke satire en een waardevol getuigenis van de morele, politieke en literaire opvattingen van de patriotten in ballingschap.

Satire in ballingschap: de Gedenkschriften van Martinus Scriblerus den Jongen (1791-1792)

Bijdrage over dit in Duinkerken verschenen politiek-satirische persorgaan uit de jaren 1791-1792 en over zijn Britse voorganger, geschreven rond 1714 maar pas in 1741 uitgegeven. Deze bijdrage is de oorspronkelijke lange versie van het artikel door P.Theeuwen, in verkorte vorm verschenen in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, jrg. 37 nr. 2 (2014), themanummer satirische tijdschriften, pp. 242-255.